Selecteer een pagina

Postmodernisme en verder

9.1
Het postmodernisme vormt globaal gesproken een reactie op het modernisme. Het postmodernisme twijfelt aan de vooruitgang en dus aan de mogelijkheid van avant-garde en voorhoede, maar ook aan het onderscheid tussen elitekunst en massakunst. Postmodernisten zijn tegen het functionalisme in de architectuur. In de wetenschap trekken zij universele geldigheid en objectiviteit in twijfel en pleiten voor onderzoek naar specifieke, en van de hoofdstroom afwijkende perspectieven en belangen van bepaalde minderheidsgroepen. Ook in de politiek zijn zij tegen universalisme en komen op voor specifieke belangengroepen.
Postmodernisten benadrukken het gefragmenteerde en heterogene karakter van de hedendaagse cultuur, wetenschap en maatschappij en stellen dat deze heterogene elementen nooit met elkaar in overeenstemming zullen komen.

In de postmoderne kunst wordt het vooruitgangsgeloof irrelevant verklaard en daarmee gepaard gaat een verminderde behoefte om origineel, of provocerend te zijn zoals moderne kunstenaars dat waren. Als ze provoceren, gebeurt dit vaak door de expliciete seksuele inhoud van hun werk Madonna, Prince). Ook omvat postmodernistische kunst een grotere rol voor kunstkritiek, commentaar en het interpreteren als onderdeel van het kunstwerk zelf.

Het postmodernisme als verschijnsel in de wetenschappen kan deels worden verklaard als gevolg van hun veranderende institutionele context. De toenemende specialisatie van vakgebieden heeft onvermijdelijk geleid tot fragmentatie van kennis.

Cultuurhistorisch kan het postmodernisme in verband worden gebracht met de opkomst van een aantal nieuwe sociale bewegingen. Typisch postmodern is de opkomst van onderdrukte alternatieven, die specifieke groepen en niet de mensheid als geheel betreffen. Andere cultuurhistorische aspecten van het postmodernisme zijn de dekolonisatie en de opkomst van de Derde Wereld als politieke en culturele factor. Ook nieuwe vormen van nationalisme benadrukken een afzetting tegen het universalisme.
Het voornaamste verwijt tegen het postmodernisme in methodologische zin is dat het alle vormen voor goed onderzoek op zou geven: als een geen objectieve werkelijkheid of waarheid is, dan valt alles weg te redeneren of goed te praten.

9.2 a) Rorty
Rorty beschouwt zijn werk als ‘pragmatisch’ in plaats van postmodern. Volgens hem wordt niet alleen de natuurwetenschap maar ook de filosofie door paradigma’s beheerst. De geschiedenis van de filosofie is geen verhaal van vooruitgang en verfijning, maar van radicale revoluties. Rorty bestrijdt het denken in termen van representaties van de buitenwereld, zoals dit vanaf Descartes in de 17e eeuw is gedaan, (dat kennis bestaat uit correcte mentale afbeeldingen of representaties van de buitenwereld). Rorty wil dat de filosofie geen theoretische, maar praktische bijdrage levert: filosofen moeten bijdragen aan publieke discussies, ze moeten andere tradities begrijpen vanuit hun eigen traditie en de eigen traditie vernieuwen. De bijdrage van pragmatisten aan discussies bestaat voor een belangrijk deel uit het herbeschrijven van wat anderen gevonden meenden te hebben. Rorty van grote natuurwetenschappelijke theorieën op als metaforen, als uitbreidingen van de gangbare manier van spreken.
Rorty geeft een kuhniaanse wending aan het begrip hermeneutiek: hermeneutiek is een poging om vanuit je eigen perspectief (horizon, paradigma) een, incommensurabel stel uitspraken te begrijpen; dit kan dus niet op basis van objectieve werkelijkheid of neutrale feiten. Kentheoretische aspiraties van de filosofie moeten opgegeven worden ten gunste van de hermeneutiek. We moeten streven naar wederzijds begrip in een ‘opbouwende conversatie’, filosofie moet ons helpen beter mensen te worden die openstaan voor elkaars ervaringen en ideeën. Rorty spreekt van edification, ofwel ‘vorming’ (soort Bildung).

9.2b) Derrida
Derrida is voorstander van deconstructie, de leeswijze die verborgen conceptuele vooronderstellingen in teksten blootlegt en deze als onthoudbaar maar onontkoombaar ziet. In de deconstructie wordt benadrukt hoe problematisch de opposities zijn, zoals de oppositie spraak/schrift, letterlijk/figuurlijk, en betekenaar/betekende. Schrift wordt bijvoorbeeld doorgaans gezien als afgeleid van de spraak. Dit kan volgens de deconstructie echter niet zomaar gesteld worden. Derrida heeft de slogan ‘il n’y a pas de hors-texte’ (‘er is niets buiten de tekst’) Het systeem van taaltekens maakt denken überhaupt mogelijk (invloed van Saussure). Deconstructivisten behandelen literaire teksten niet als verwijzend naar een buiten de tekst liggende werkelijkheid, maar vooral als scheppers van hun eigen literaire werkelijkheid, en als refererend aan andere teksten.
Derrida is een van de belangrijkste inspiratiebronnen voor de ontwikkeling van het vakgebied cultural analysis of cultural studies. Zij onderzoeken voorla de rol die representatie (in teksten, film en andere media) spelen in de hedendaagse cultuur en wijzen met name op de rol die zulke representaties in het uitoefenen en verbergen van macht kunnen spelen.

9.2c) Lyotard
Stelt de vraag naar de hedendaagse sociale en politieke status van wetenschappelijke kennis in zijn werk La condition postmoderne (1979). De postmoderne toestand omvat Lyotard als het ‘einde van de grote verhalen’, of ideologieën, te weten het geloof in vooruitgang en emancipatie ten gunste van de gehele mensheid met behulp van de menselijke rede. Bijvoorbeeld Auschwitz heeft de legitimatie van de moderniteit in termen van universele vooruitgang onmogelijk gemaakt. Wetenschappelijke kennis valt volgens Lyotard op te vatten als een geheel van uitspraken of in wat in het filosofische jargon een discours wordt genoemd. Dit discours vereist legitimatie, oftewel een antwoord op de vraag waarom we veel tijd en geld zouden steken in de verzameling van wetenschappelijke kennis. Deze legitimatie noemt hij metavertelling of metadiscours. Hij onderscheidt twee metavertellingen: het grote verhaal van de verlichting (wetenschappelijke kennis ter bevrijding van de mens als geheel) en het Bildungsverhaal (kennis als aspect van Geist). Typerend voor het postmodernisme is dat beide verhalen hun geloofwaardigheid als legitimatie van de wetenschap zijn kwijtgeraakt. Technologische ontwikkelingen (massamedia en computers) hebben tot diepgaande veranderingen in de structuur en overdracht van wetenschappelijke kennis geleid. Wetenschap heeft belangrijke maatschappelijke en economische gevolgen. Geaccepteerd en overdacht moet worden de vervlechting van de wetenschap, economie en politiek. Disciplines raken verweven. Kennis kan als gevolg van het einde van de grote verhalen overal vandaan gehaald worden. Gekeken moet worden naar de gevolgen van wetenschappelijke en andere bronnen van kennis.

9.3
De consequenties van het postmoderne denken zijn voor de historische wetenschappen ingrijpend. Werkelijke toegang tot het verleden is onmogelijk. Historici verwijzen niet naar gebeurtenissen die daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, maar naar andere monografieën of archiefstukken en zo worden we dus van tekst naar tekst gevoerd. We blijven op het niveau van teksten en de historische realiteit wordt niet aangeraakt. Wat is sterk geldt is Derrida’s uitspraak “Il n’y a pas de hors-texte”.
Hayden White heeft de geschiedschrijving in de 19e eeuw onderzocht en stelt dat hierin een viertal plots aan te treffen zijn. Elk van deze plots heeft een eigen verklaringsmodel en elk heeft typische ideologische implicaties. De vier plotstructuren zijn de roman/epos, de komedie, de tragedie en de satire. In de plotstructuur zou een interpretatiestrategie besloten liggen en zo’n strategie is wat zijn politieke lading betreft niet neutraal.

De historische wetenschappen hebben te maken met een dubbele hermeneutiek. De verhalen die historici vertellen worden zelf weer deel van onze maatschappelijke en culturele werkelijkheid. Zij hebben daar effecten die bijvoorbeeld sterrenkundigen niet hebben. Verhalen over het verleden vormen in moderne samenlevingen een belangrijk deel van de identiteiten van groepen, naties en personen.
De postmoderne kritiek kan worden opgeval als een uitnodiging om meer vrijheid te nemen dan wetenschappelijk historici zich gewoonlijk permitteren. Het onderscheid tussen context of discovery en context of justification speelt hierin een belangrijke rol. (pg 215)

9.4
Wetenschappelijk onderzoek is inde loop van de eeuwen meestal door mannen verricht. Is dit in wetenschapsfilosofisch opzicht belangrijk? Onder invloed van het feministisch activisme zijn in de jaren ’60 aan veel universiteiten afdelingen voor vrouwenstudies ontstaan. Dit heeft geleid tot een aantal veranderingen. Een van deze veranderingen betreft de toegenomen aandacht voor gender. Gender of sekse moet strikt onderscheiden worden van biologisch geslacht: het betreft hier een sociale of culturele notie, ofwel de culturele betekenissen die geslachtverschillen op onderscheiden tijden en plaatsten hebben en de manier waarop zulke verschillen worden verwoord en in wetenschappelijke en andere praktijken hun sporen nalaten. Zowel natuur- als geesteswetenschappen zijn onder dit gezichtspunt bestudeerd. Genderstudies kijken niet uitsluitend naar de wijzen waarop vrouwen onderdrukt werden en worden, maar vooral naar de manier waarop zowel mannelijke als vrouwelijke sekse-identiteiten en symbolieken tot stand komen. De nadruk op de cultuurgebonden notie van gender onderscheidt hedendaags feministisch onderzoek naar de wetenschappen van eerdere versies die zich vooral richtten op de mannelijke overheersing.
De traditionele feministische en andere wetenschapskritiek heeft twee beperkingen:
het neigt al snel tot vormen van slachtofferdenken, zo worden vrouwen wederom voorgesteld als de eeuwige zwakke objecten van mannelijke onderdrukking;
het begrip sekse is nog niet gethematiseerd; hierdoor kunnen verdedigers van de ‘objectiviteit van de wetenschap’ makkelijk betogen dat deze vormen van onderdrukking er niet toe doen: niet wie iets ontdekt doet ter zake, maar wat ontdekt is is belangrijk. Kwesties van seksisme en onderdrukking mogen spelen in de ‘context of discovery’, maar voor de ‘context of justification’ zijn ze irrelevant.

Hedendaagse genderstudies worden niet langer gekenmerkt door één algemeen aanvaarde methode, en zeker niet door één maatschappelijk doel. Dit kenmerk delen ze met postmodernistische wetenschappelijke stromingen in het algemeen. Dit leidt tot een aantal problemen en risico’s:
Door de verschuiving van de aandacht van sociale praktijken van onderdrukking naar symbolische processen van representatie zijn ook de banden met de bredere maatschappelijke vrouwenbeweging enigszins verslapt. Ze weerspiegelt een algemenere tegenstelling tussen enerzijds maatschappelijke betrokkenheid en anderzijds academische institutionalisering. Kortom: de in de praktijk hebben feministische bewegingen weinig aan de institutionalisering.
Een tweede probleem vormt de vraag waarom er zoveel nadruk gelegd moet worden op sekseverschillen, terwijl klasse, ras of etniciteit ook van grote invloed kan zijn op de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis. Evelyn Fox Keller beargumenteert dat juist omdat de wereld van de moderne wetenschap cultureel en sociaal zo sterk verbonden is met de blanke eurocentrische hogere klasse, we ons zonder risico kunnen concentreren op de sekseverschillen. Sandra Harding daarentegen stelt dat de gedachte van de westerse wetenschap zich heeft kunnen ontwikkelen dankzij de Europese ontdekkingsreizen: het idee van postkoloniale wetenschapskritiek.
Feministische critici delen veelal de opvatting van Rorty dat kennis niet langer kan worden opgevat als een correcte representatie van de buitenwereld. Maar hoe valt dan de positie te verdedigen dat alleen met het theoretiseren van het begrip sekse tot een adequate beschrijving van bv de feitelijke wetenschappelijke praktijk kunnen komen? Verschillende reacties zijn mogelijk. Harding kiest voor een pragmatisch kennisideaal van Rorty, Zij stelt dat feministische beschrijvingen een groter praktisch nut hebben. Anderen beweren dat wetenschappelijke kennis wordt gelegitimeerd doordat de gemeenschap van wetenschappers haar accepteert. (pg 221).

9.5
De nadruk die door het postmodernisme op onderdrukte alternatieven is gelegd heeft nieuwe domeinen voor onderzoek geopend. Ook hebben postmodernistische invalshoeken nieuwe, expliciet narratieve en ‘literaire’ benaderingen in de geschiedschrijving opgeleverd. Door deze nadruk op narratieve en retorische elementen wordt postmodernisten verweten te weinig oog te hebben voor ‘objectieve’ criteria. Het postmodernisme wordt relativisme verweten en het opgeven van methodologische standaarden voor de interpretatie van literaire werken. Dit relativismeverwijt strekt zich uit tot ethisch relativisme. Wie gelooft dat er niks buiten de tekst bestaat ontkent ook dat er ooit vernietigingskampen zijn geweest.
Wetenschapsfilosofisch blijft het postmodernisme van belang door een diepgaande kritiek op het modernistische geloof in wetenschappelijke vooruitgang, zoals het kennisideaal van Popper voorstelt. Een zeker pessimisme kan aan veel postmodernisten niet ontzegd worden, maar soms kan zulke kritiek een belangrijke positieve functie hebben. In dit verband kan de vraag gesteld worden of het postmodernisme niet eerder een voortzetting dan een verwerping van de verlichtingsidealen inhoudt. Als voortzetting ervan vertegenwoordigt het postmodernisme een bevrijding van tradities en onderwerpt ook zichzelf aan kritiek.Een groot deel van het postmodernismedebat draait om de vraag hoe kritisch de kantiaanse kritiek van de rede eigenlijk kan of mag zijn.