Selecteer een pagina

Simon Carmiggelt – FEMME D’ARTISTE

Zij loopt hem na met spijs en spet,
als hij in trance zijn gaven zit te melken,
of na veel kroegen eindelijk in bed
van het artiestenfeest ligt te verwelken.

Zij kent zijn vijf verschillende gezichten,
zijn vreugd, zijn woede en zijn dom gepoch.
Hij kan niet veel, dat weet ze wel, maar och…
geduldig luistert ze naar zijn gedichten.

En laat zich wekken ’s nachts, omdat zijn luit
weer iets bijzonders aan de Muze heeft ontwrongen.
Zij wacht tot het uit is en zegt ongedwongen:
‘Het is heel mooi Wim, je gaat steeds vooruit.’

Een jurk kan zij niet kopen, want het ongerief
van zijn gestadig dingen naar de erepalm
maakt haar zo arm. Maar in de keukenwalm
ziet zij hem stralend aan – ze heeft hem lief.

Uit: Het jammerhout, 1948

Dit gedicht gaat over de vrouw van een kunstenaar. Ze houdt van hem, verzorgt hem liefdevol, ondanks zijn artiest-zijn: ze neemt de kroegentochten – waarna hij uitgeput op bed neervalt – voor lief, net als zijn verborgen onvermogen echte kunst voort te brengen, zijn artistieke uitspattingen waarvoor ze ’s nachts uit haar nachtrust wordt gehaald, de armoede.
۞ Spijs en spet: eten en drinken (spet  spat  drinken);
۞ Het ongerief van zijn gestadig dingen naar de erepalm: moeten kunstenaars hun prestigeprijzen bij opbod kopen?
Ik vind het een mooi gedicht. Het belichten van de vage schaduw achter de beroemde dichter is origineel, waarbij het van dichterlijke durf getuigt het eigen beroep zo te bekritiseren. Mooi zijn de ironische toespelingen op de dikdoenerigheid van de pompeuze kunstenaar zoals “het in trance melken van zijn gaven,“ het feit dat hij na artiestenfeestjes – waar hij ongetwijfeld zijn gezicht van “dom gepoch” heeft laten zien – voor dood in bed ligt, het nachtelijk wekken van zijn vrouw – om daarop zijn nieuwste creatieve uitspatting met haar te delen – , aldus zijn egoïsme en gevoel van vermeende virtuositeit verradend, en tot slot zijn verlangen naar prijs en publiciteit.
Er moet wel gezegd worden dat de schoonheid van dit gedicht relatief is. Van het gehele dichtwerk vind ik deze het mooist, maar nog steeds matig. De rest van deze dichtbundel is namelijk geschreven op dwangrijm. Dit gedicht is ongeveer het enige waarin van die dwangrijm geen sprake is.

Simon Carmiggelt – TEN AFSCHEID

Mijn vulpen doet dag in dag uit zijn best.
Want hij moet álles inventariseren.
Als ik iets zie dat hij wil kopiëren,
dan krijgt hij een erectie in mijn vest.

Soms laat ik hem, om deze sleur te breken,
wat dansen – een soort horlepiep op rijm.
Dan kleven er wel torren aan de lijm,
die voor de eendagsvlieg was uitgestreken.

Ik ving hier véle torren in één klap.
Al wat er om mij heen te meppen is.
Ik mepte gráág – ’n enk’le keer uit ergernis,
maar meestal zó maar, domweg voor de grap.

Want ademen is een vervelend vak.
Een rover vallen allengs al zijn haren uit
En, kaaltjes van de reis, wordt hij de buit;
Niet langer zakkenroller, maar de zak.

Leven is leren hoe je netjes sterven moet.
Schrijven is groeien tot analfabeet.
Handelen – stikken in hetgeen je doet.
Maar lachen – álles wat ik zeker weet.

Uit: Al mijn gal, 1954

De eerste drie strofen van dit gedicht gaan over de “schrijfwijze” van de auteur. De laatste twee strofen gaan over oud worden en de positie die schrijven inneemt in het leven van de auteur, bekeken vanuit de oude dag van de schrijver.
In de eerste strofe legt hij uit op welke manier hij schrijft: als hij iets ziet wat hem inspireert, komt zijn pen tot leven en stort hij zich er fanatiek op. Maar, ter afwisseling, zo vertelt de tweede strofe, focust hij zich niet altijd op één onderwerp, maar schrijft hij, gaandeweg het proces, allerlei andere dingen erbij. In de derde strofe komen de misstanden of andere nare zaken, die hij tijdens dat brainstormen tegenkomt, aan bod: hij haalt ernaar uit, soms omdat hij geraakt is, maar meestal zonder reden. In de vierde strofe gaat het over het verjaren van de auteur: de tijd tast zijn lichaam aan. Hij heeft altijd verdiend aan het leven, waarover hij altijd heeft geschreven, maar juist dat korter wordende leven wordt hem op den duur fataal. De vijfde strofe is me totaal onduidelijk.
Ik vind het een prachtig gedicht, want het staat vol met mooie stijlfiguren. In de eerste strofe vertelt de auteur over zijn werkwijze vanuit zijn pen: een vulpenperspectief. De pen is een metafoor voor de pen is, eh penis, want: zo actief als de pen wordt als er iets genoteerd moet worden, zo actief is de penis wanneer… (ik hoop niet dat mij in het mondeling gevraagd zal worden deze zin in beschaafd Nederlands te voltooien)
In de tweede strofe vertelt de auteur dat hij schrijft alsof hij een horlepiep danst – een zeer beweeglijke, inspannende solodans. Hij vangt dan torren met de lijm die hij had gesmeerd voor de eendagsvliegen. Dat zijn metaforen voor respectievelijk misstanden of andere nare onderwerpen, zijn inspiratie en het onderwerp van schrijven dat hij aanvankelijk als het enige in gedachten had (tormetafoor is net als penperspectief een leuk woord voor galgje).
Vervolgens vertelt hij in de derde strofe dat hij de torren doodslaat, hoe anders dan deze misstanden aan de kaak te stellen in poëzie of proza?
In de vierde strofe hekelt hij de ouderdom (dat wat volgt na lang ademen, na lang leven). De tijd doet zijn haren uitvallen in een metafoor waarin hij zichzelf vergelijkt met een rover, een zakkenroller. Kaal geworden door de reis – door de tijd – haalt het leven, waarvan hij levenslang heeft geprofiteerd, hem dan toch in.
In de vijfde alinea staan twee tegenstellingen: leven en sterven en schrijven en analfabeet (zijn). (Met “netjes sterven” bedoelt de auteur waarschijnlijk “sterven met een goede terugblik.” Daarvoor moet je ook netjes leven. En dat moet je leren tijdens dat leven.) De auteur suggereert dat je alleen leeft om te sterven, en dat stemt melancholisch. “Schrijven is worden tot analfabeet” is een paradox: de schrijver bedoelt: “om goed te kunnen schrijven moet je zo objectief kunnen waarnemen als een zuigeling (voordat je er eenmaal verslag van uitbrengt)”. In het gedicht staat echter: “Schrijven is groeien tot analfabeet,” wat eerder verval suggereert dan bloei. Toch is het, overeenkomstig de visie van de schrijver, een positieve ontwikkeling, een positieve groei, en daarom is ook dit een paradox.
Het gedicht heet Ten afscheid omdat het geschreven is vanuit het perspectief van een oude dichter die afscheid neemt van het leven.

Ida Gerhardt – VOGELVRIJ

Kinderen van een prachtig ras
– ik kwam hun noordelijk dorp voorbij –
scholden en achtervolgden mij
en één smeet raak met een pol gras.

En toen ik hen ontkomen was
zat ik tussen een wilgenrij,
een oude vrouw in de maand mei
en sloeg de kluiten van mijn jas.

Kinderen zijn oprecht en wreed:
zij zagen mij de dichter aan
en deden frank, wat meer discreet
de wereld dagelijks heeft gedaan.

Uit: De Japanse visser, 1985

In dit wellicht waargebeurde gedicht vertelt Ida Gerhardt over haar ervaringen in een ver land. Ze komt langs een noordelijk gelegen dorpje, waar de buurtkinderen haar uitschelden en bekogelen met graspollen. Ze vlucht weg, puft uit in een wilgenrij, slaat de kluiten van haar jas en overdenkt het voorval. Het verschil tussen de dorpskinderen en de wereld zit hem slechts in de manier waarop: beiden besmeuren haar met pollen gras. De dorpskinderen doen dat lomp maar oprecht, de wereld doet het discreter maar des te onoprechter. Onrecht blijft hetzelfde.
De schrijfster bedoelt met “de wereld” onder andere de westerse maatschappij, die haar als oude dichteres slecht behandelt (hierbij kun je denken aan een slecht verzorgde oudedagvoorziening, maar ook aan een respectloze houding van andere bevolkingsgroepen). Maar ook kan de schrijfster het leed bedoelen, waaronder mensen overal ter wereld gebukt gaan en dat via de media haar leven binnensijpelt.
Noodzakelijkerwijs heb ik dit gedicht uitgekozen als mooiste. Uit de 890 pagina’s tellende pil heb ik vanzelfsprekend een selectie van te lezen gedichten gemaakt, die mij eigenlijk geen van allen bevielen. Toch heb ik een gedicht van Gerhardt opgenomen, want haar gedichten waren doorspekt van (verwijzingen naar) de klassieke oudheid, die me interesseert. Gerhardt is een niet erg controversiële schrijfster die koele gedichten over dieren of voorwerpen schrijft, zonder daarbij echt menselijke gevoelens een rol te laten spelen. Dit gedicht vormt een uitzondering op de regel. Dit gedicht heeft me niet aan het denken gezet en heeft niets in me bewogen – het is een aardigheidje.

Drs. P – zonder naam

Moet u proberen, zeg
Dubbele dactylus
Voor u het weet
Bent u aardig op dreef

Dan kijkt u neer op de
Zeventienvoetige
Verzen
Die u als beginneling schreef

Ollekebollekes
Niks geen problemen mee
Luimig! Niet moeilijk!
Maar wat zich dan wreekt

Is die sanguinische
Onoverwogenheid
Menigmaal blijkt dat er iets aan

Ollekebollekes
Denk om het rijmschema
Regeltje 8
Rijmt op regeltje 4

Onrijm veroorzaakt een
Onwillekeurige
Onlustreactie
Dat blijkt alweer in dit voorbeeld

Ollekebollekes
Dactylus (lang-kort-kort)
Dat is uw versvoet –
Verplicht en getest

Dactylus enkel is
Onwederrechtelijk
Mijd dus amfibrachys
En anapest

Ollekebollekes
Even de inhoud nog
Deze zij puntig
Als ’t kan met een frappe

Rare constructies als
Opvullerijbewijs
Zijn slechts bewijzen
Van rijmelaarschap

Ollekebollekes
Dit moet voldoende zijn
Als u nu nog niet begrijpt
Hoe het moet

Bent u een zielige
Onbegenadigde
Zeer ongeletterde anakoloet

Uit: Dartele dactylus, 1984

Dit gedicht – eigenlijk zijn het er zes – gaat eigenlijk over het gedicht zelf. Over het ollekebolleke, een dichtvorm waarbij een dactylische versvorm gehanteerd wordt (lang-kort-kort), waarbij de achtste regel rijmt op de vierde regel en de zesde regel bestaat uit slechts één zeslettergrepig woord. Het ollekebolleke heeft een ironische en humoristische inhoud.
۞ Luimig: humoristisch;
۞ Sanguinisch: temperamentvol, levendig;
۞ Dactylus: versvoet van een beklemtoonde lettergreep, gevolgd door twee onbeklemtoonde;
۞ Onwederrechtelijk: (toch) niet in strijd met het recht;
۞ Amfibrachys: (letterlijk: kort aan beide kanten) versvoet van een beklemtoonde lettergreep tussen twee onbeklemtoonde (kort-lang-kort);
۞ Anapest: versvoet van twee onbeklemtoonde lettergrepen, gevolgd door een beklemtoonde (kort-kort-lang);
۞ Frappe: treffer;
۞ Anokoloet: onbekend.
Naast de klassieke talen vind ik ook de eigen Nederlandse taal interessant. Vooral als er kunstjes mee worden uitgehaald, zoals de voor mij nieuwe ollekebollekes. Daarom heb ik dit gedicht uitgekozen.
Ook mag poëzie best eens grappig zijn! En grappig is dit gedicht zeker, ik heb er hard om moeten lachen toen ik het eenmaal begreep. Hier volgen een paar grappen of (eigen)aardigheden uitgewerkt, voor zover dit de pret niet teveel drukt.
De tweede strofe van het tweede gedicht: “Is die sanguinische / Onoverwogenheid / Menigmaal blijkt dat er iets aan / ontbreekt.” Hier gaat het over het wilde enthousiasme dat de schrijver beving na het ontdekken van deze dactylus. Doordat hij erop los ollekebollekte vergat hij het laatste woord…
De tweede strofe van het derde gedicht: “Onrijm veroorzaakt een / Onwillekeurige / Onlustreactie / dat blijkt alweer in dit voorbeeld.” Inderdaad: zonder eindrijm leest het zeker onbevredigend, maar ondertussen hanteert de schrijver wel een driedubbele beginrijm.
Laatste strofe van het zesde gedicht: “Bent u een zielige / Onbegenadigde / Zeer ongeletterde anakoloet.” Ik heb verscheidene woordenboeken en personen geraadpleegd, maar zonder resultaat. Volgens mij is het een grap van de schrijver die de nieuwsgierige lezer op het verkeerde been probeert te zetten. Maar natuurlijk kan ik dat mis hebben. Ik heb het gedicht dus ook gekozen vanwege de humor.

Jean Pierre Rawie en Driek van Wissen – zonder naam

Uit: Dartele Dactylus, 1984

Dit gedicht gaat over de vriend van Egidius, die om hem rouwt. Hij vraagt zich af waar Egidius is gebleven en hij vertelt dat Egidius fijn gezelschap was, maar ook dat het gerechtig en door god gewild scheen dat hij zou sterven.
Ik heb dit gedicht uitgekozen omdat ik het zo mogelijk nog grappiger vond dan bovenstaand gedicht. De auteurs hebben de oorspronkelijke versie van het gedicht omgegooid en in versvorm van de dubbele dactylus gegoten, maar daarbij hebben ze de dramatische toon (“Ay Egidius!”) uit de oorspronkelijke versie in stand gehouden en een beetje aangedikt. Dat maakt het ironisch en grappig, navenant de richtlijnen voor het ollekebolleke.
Ik heb het gedicht afgedrukt zoals hij in de dichtbundel staat. Het ouderwetse lettertype – compleet met schreeuwerige initiaal (“A”) – samen met decoratief motiefje, maakt het af: ik vind dit echt een geweldige vondst.
Eigenlijk wilde ik maar één “melig” gedicht uit deze geheel melige gedichtenbundel opnemen, maar deze parel mocht toch eigenlijk niet ontbreken. Om het toch een beetje serieus te maken zal ik de overeenkomsten en verschillen tussen de oorspronkelijke versie en deze beschrijven. In beide versies sterft Egidius, maar de bijpersonen verschillen: in de oorspronkelijke versie is de nabestaande de echtgenote van Egidius, maar in de nieuwe versie is het een vriend: in beide gevallen waren het dierbaren. De moderne versie is korter en in dactylische versvorm geschreven. Toch vertoont deze versie veel overeenkomsten met de oorspronkelijke tekst: “waer bestu bleven / dat was gheselschap / (so) goet ende fijn,” “sceen” en “ghestorven” zijn letterlijk overgenomen. De rest is uit de duim gezogen en erg grappig: het zou werkelijk Middelnederlands kunnen zijn, bijvoorbeeld het woord “Godebehagelije” (een prachtige vondst trouwens).
Maar toch hebben de auteurs veel in stand gehouden, en dat roept wel bewondering op: niet alleen moest er een selectie gemaakt worden uit de Middelnederlandse tekst, maar ook moest deze tekst passen in het dactylische vers.

De Stadsdichter (van Eindhoven) – Kansloos

Ik ben op zoek
naar mijn laatste adem
Ik vloek
Verdomd verdomd
ik sla het gade
die mooie kont
danst voor mijn ogen
weg.

En tenslotte iets uit de regio, dit gedichtje over een wielrenner. Hij is uitgeput en vloekt, maar hij kan het niet verhinderen dat zijn concurrent hem uiteindelijk inhaalt.
Ik vind het een leuk en grappig gedichtje. Pas na het helemaal gelezen te hebben wordt het duidelijk. Het is lekker eenvoudig en bovendien de zesde, dus facultatief.