Selecteer een pagina

Runde 7

107
1. B
2. A
3. A
4. B
5. A
6. B
7. C
8. D
9. C
10. A
11. D
12. D
13. D
14. B
15. B
16. D

108
1. Een verbouwing
2. De schrijver is op sokken, met een gebleekte spijkerbroek, verder draagt hij een gebreid vest met verfvlekken.
3. Oud ijzerboer.
4. Een oude vrouw, die niet weet dat ze kanker heeft. En onverdroten over de wereld reist. Verder gaat het over de relatie tussen moeder en zoon.
5. Joegoslavië
6. Dat zijn moeder hem niet kon troosten.
7. Eten
8. Zijn moeder was veel minder orthodox dan zijn vader.

110
1. A
2. B
3. C
4. D
5. A
6. D

112
1. zoomen
2. jäh
3. Schloß
4. kutschieren
5. gestrafft
6. problemfälle
7. plauschen
8. notorischen
9. der Schlag
10. vertuschen
11. umgeschrieben worden
12. sich befassen
13. x
14. Belege
15. Aufzeichnungen
16. weniger die mühsam aus allen Ecken und Enden hervorgesuchten…
17. Anziehungspunkte
18. drängen

114
1. A
2. C
3. D
4. B
5. C
6. C
7. A
8. B
9. A
10. D
11. A
12. B
13. B
14. C

116
1. Met de onnozelheid/domheid vechten zelfs Goden tevergeefs.
Domheid is menselijk, ieder mens vecht ermee.
2. In groot ongelijk leert een edel hart zichzelf eindelijk te vinden.
Ongeluk heeft niet alleen negatieve gevolgen, het kan ook goed voor een mens zijn.
3. Vroegtijdig oefent zich, hij die een meester worden wil.
Iemand die ergens erg goed in wil worden, kan niet vroeg genoeg beginnen.
4. Al te strak gespannen, breekt de boog.
Je kunt ook teveel van iemand vragen.
5. De mens is vrij geschapen, is vrij, en wordt in ketenen geboren.
De mens is gebonden aan bepaalde mogelijkheden zodra hij geboren wordt. Buiten het aardse is de mens echt vrij.