Selecteer een pagina

Auteur: J. Bernlef

Titel: Hersenschimmen

Druk: zevenendertigste druk, 1994

166 bladzijden

Samenvatting

De 71- of 72-jarige Maarten Klein woont met zijn vrouw Vera in Gloucester, aan de oostkust van de Verenigde Staten, even ten noorden van Boston. In de jaren vijftig zijn ze vanuit Nederland naar Amerika geëmigreerd. Hun twee kinderen, Kitty en Fred, zijn teruggegaan naar Nederland. Maarten werkte tot zijn pensionering bij de Intergovernmental Maritime Consultative Organisation (IMCO), een instituut voor visserijonderzoek in Boston.

Maarten piekert over zijn vergeetachtigheid. Er is iets mis, maar hij weet niet precies wat. Hij betrapt zich erop dat hij hardop in zichzelf praat. Woorden die hij alleen gebruikte op zijn werk als hij niets beters wist te zeggen, duiken plotseling op in zijn conversatie met Vera. Zijn gedachten dwalen vaak door associaties af naar gebeurtenissen uit het verleden, vooral uit zijn jeugd, uit de Tweede Wereldoorlog en uit de tijd dat hij op kantoor werkte. Soms roepen de herinneringen handelingen op waarvan hij zich niet bewust is.

Vera gaat bij dokter Eardly langs. Hij heeft haar aangeraden met Maarten foto’s te bekijken om de herinneringen te ordenen. Maarten herinnert zich tot in de details het verhaal bij een foto uit zijn jeugd, maar kan andere gebeurtenissen, zoals het bezoek van zijn kinderen uit Nederland drie jaar geleden, niet plaatsen. Later weet hij dat weer en spijt het hem dat hij dat niet eerder wist.

Steeds meer vermengt Maartens verleden zich met zijn dagelijks leven. Maarten verwart Vera met zijn moeder en zijn huis met het huis van zijn grootouders. Wat zijn vrouw hem het ene moment vertelt, kan hij direct daarna weer vergeten zijn.

Als zij weg is, slaat Maarten een ruit in om de hond binnen te laten. Daarna vergeet hij het gas uit te zetten. Omdat de toestand gevaarlijk wordt, komt de gezinshulp Phil Taylor inwonen om op Maarten te letten. Maarten vergeet steeds wie zij is en waarom ze er is en verwart haar met zijn pianolerares Greet van vroeger op wie hij toen verliefd was, en met zijn dochter Kitty.

Dan herkent hij zichzelf niet meer. Vera en Phil binden hem op een stoel vast. Ook hen herkent hij niet meer. Dan wordt hij in een ziekenwagen naar een inrichting gebracht. Er dringen nog maar flarden van buiten tot Maarten door; zijn wereld is gekrompen tot zijn onsamenhangende, maar soms plotseling heldere gedachten, waarin de taal een belangrijke rol speelt.

Het boek eindigt met een mededeling die hij nog wel opvangt, al beseft hij niet dat die van Vera komt: zij vertelt hem dat de lente op het punt staat te beginnen.

Verwerkingsopdracht Slachtofferschap en reacties daarop

Slachtofferschap

De hoofdpersoon van dit boek is Maarten Klein. Door zijn ziekte is hij een slachtoffer. Een slachtoffer van dementie. Hoewel zijn echtgenote Vera natuurlijk ook slachtoffer is, wordt zij hier achterwegen gelaten. Drie situaties waarin Maarten belandt door toedoen van zijn ziekelijke vergeetachtigheid, zullen worden genoemd: een voorbeeld ten tijde van het beginstadium, een voorbeeld ten tijde van een gevorderd stadium en een voorbeeld ten tijde van het eindstadium.

à Maarten zit op het toilet – een krant doelloos in zijn handen – om na te denken over zijn vergeetachtigheid. Wanneer hij gevangen wordt door een herinnering over zijn basisschooljaren, herleeft hij deze in zijn verstrooidheid opnieuw. Maar niet alleen psychologisch – ongemerkt ook lichamelijk: “Een slecht geheugen heb ik altijd gehad. (…) Maar een hele ochtend die je een paar uur later zomaar vergeten bent? Die voorbijgegaan is alsof hij er nooit is geweest? (…) Als Vera niets had gezegd, zou ik daar nu misschien nog in de achterkamer staan, mijn handen op de vensterbank leunend. (…)
Dat tegelwerk had indertijd beter gekund. Moet je dat cement tussen de voegen voelen bobbelen. Nog steeds ben ik links, maar op de bewaarschool mag dat niet, linkshandig knippen. De strookjes voor het matjes vlechten worden lelijk, ongelijk van breedte en lengte. De juf buigt zich naar me over. (…) ‘Ga jij de potlodendoos dan maar halen, Maarten,’ zegt ze zacht en ze veegt mijn mislukte vlechtwerkje van tafel. (…) Dan sta ik op en open de deur.
Het is stil op de gang. Aan het eind is het materiaalhok. Op de bovenste plank staat de potlodendoos met zijn geur van houtslijpsel en grafiet, een geur die onder uit een bos komt, even oud is als de aarde zelf. Ik moet op een stoel klimmen om naar de doos met zijn vakjes van verschillende lengte en breedte te zoeken. Achter me staat Vera, naast de wasmachine. Ik wankel en grijp me met beide handen aan de plank vast.
’Doe niet zo gevaarlijk,’ zegt ze, ‘en kom van die stoel af, voordat je valt. Wat zoek je daar?’” (bladzijde 12 en 13)

à Om te zorgen dat Maartens brein niet verder degenereert moet hij ze actief houden: dokter Eardly adviseert Vera daarom bij wijze van therapie hun foto-albums samen door te kijken: “Snel blader ik in het album terug. (…) Janet hier is de oudste van de Cheevers hier verderop. (…) Hun keeshondje Kiss staat er ook op. Die is dood. Overreden door een toerist.” (bladzijde 66)
Op dat moment blijkt dat Maarten op zowel een eerder moment in de tijd als in het verhaal, tijdens het uitlaten van zijn eigen hond, vergeten is dat Kiss reeds het leven had gelaten: “Op de Atlantic Road moet ik even blijven staan om uit te blazen. Robert draait ongeduldig om me heen. Dan lopen we met de zee en de wind in de rug op huis aan. Als we langs het bakstenen huis van de Cheevers komen roep ik Robert bij me. Voor je het weet is hij verdwenen, op zoek naar Kiss, het witte keeshondje van de Cheevers.” (bladzijde 51)
Later blijkt dat Kiss’ lotgevallen hem voor de tweede keer zijn ontschoten, terwijl zijn vrouw Vera de moeite niet meer neemt hem dat in herinnering te brengen: “[Maarten:]’Dan haal ik even wat hout uit de schuur.’ ‘William Cheever heeft al hout in het washok gelegd. Genoeg voor de hele week.’ ‘Aardige jongen is dat toch. Was Kiss hier ook? Ik heb hem niet gezien.’ ‘Nee, die had hij thuisgelaten.’” (bladzijde 99)

à Op het moment dat Maarten denkt dat het oorlog is, bevinden zijn hersenen zich in een ver gedegenereerd stadium: “Waarom huilt ze [Vera] toch? Zou ik me vergissen en is de oorlog pas begonnen? Zijn we bezet in plaats van bevrijd? Begint alles dan weer opnieuw? ‘Is de oorlog weer begonnen?’ ‘Ga nu maar slapen, Maarten,’ zegt ze schor. ‘Niemand zal je kwaad doen.’ ‘Is het geen oorlog?’ ‘Het is vrede.’ ‘Maar waarom huilt ze dan? Gelukkig dat zij er is. Zij is de enige die ik nog vertrouw. ‘Je mag nooit meer weggaan,’ fluister ik en ik pak haar hand vast. ‘Hoor je, Vera, nooit meer.’” (bladzijde 142 en 143)
Enige tijd later, terwijl hij thuis in foto-albums kijkt, krijgt hij een black-out en herkent

zijn eigen huis, de thuishulp en zelfs zijn eigen echtgenote niet meer: “Twee vrouwen, twee vrouwen in ruisende kledij, een jonge en een oudere. Ze spreken Engels en trekken een boek met foto’s uit mijn handen. (bladzijde 145)

Reactie

Maarten accepteert zijn dementie lange tijd niet. Van meet af aan probeert hij op observerende wijze de reden voor zijn vergeetachtigheid te vinden. Daarna wordt het zo warrig in zijn hoofd dat hij een neutraler standpunt inneemt, maar hij blijft zichzelf observeren. Als eerst volgen hier twee voorbeelden van verzet tegen zijn slachtofferschap, dan een voorbeeld dat meer neigt naar berusting in zijn slachtofferschap.

à Tijdens één van hun foto-albumsessies, probeert Maarten zijn verregaande vergeetachtigheid te verbergen. Hij ontkent zijn dementie tegen Vera en dus al helemaal tegen zichzelf, omdat hij zich, door te ontkennen, verzet tegen zijn geheugen, dat het meer en meer laat afweten. “Ze [Vera] bladert verder. Hier staan onderschriften bij, dat maakt het kijken een stuk veiliger. (…) Niet in paniek raken. Zij weet het tenslotte nog allemaal. Dit is dus mijn moeder. (…) ‘moeder,’ zeg ik, en ik kijk naar de bebrilde vrouw die met brede handen op een wit tuinhekje steunt. (…) Vera wijst aan, Vera voorziet de foto’s van commentaar. Ik knik. Maar ik zie hoe ze in mijn ogen kan lezen dat haar woorden niets verhelderen.” (bladzijde 64 en 66)

à Maartens verzet komt het duidelijkst naar voren in het volgende fragment: “Zonet liep het ook helemaal fout. Opeens moest ik alles eerst in het Engels vertalen voor ik het kon zeggen. Er kwamen alleen vormen van zinnen uit, brokstukken, de inhoud was er totaal uit weggezakt. Woedend staar ik de voorkamer in. Alsof ik woorden verlies zoals een ander bloed. En dan opeens ben ik weer vreselijk bang. De aanwezigheid van alles! Ieder voorwerp lijkt me zwaarder en solider dan het hoort te zijn (misschien omdat ik er een fractie lang de naam niet meer van weet). Ik ga vlug op de bank liggen en sluit mijn ogen.”

à Maarten raakt, in een verregaand stadium van dementie, bevangen door een herinnering over zijn vader. Onbewust begint hij zijn grammofoon in te pakken om hem aan zijn hem te geven. Phil van de thuiszorg grijpt in, en sarcastisch denkt Maarten: “Het blonde meisje van daarnet (ik kan haar dus wel even onthouden) staat op en loopt naar de hal.” N.b.: dit fragment getuigt niet zeer van de laconieke berusting van Maarten in zijn dementie, maar de aan dit citaat voorafgaande bladzijden verschaffen de context die één citaat niet kan geven.

Verwerkingsopdracht Diagnose en therapie

Psychologisch rapport

Patiënt: Maarten Klein.

Diagnose: de ziekte van Alzheimer, dementie.

De patiënt vertoont de volgende symptomen: stoornissen van oriëntatie en geheugen (vergeet waar hij zich bevindt of vergeet de weg, vergeet zijn verleden, later zelfs het heden), en stoornissen in spraakvermogen (hij verwoordt moeilijk, gebruikt verkeerde woorden voor bepaalde begrippen).

Behandeling:

à De patiënt krijgt medicijnen om de symptomen te onderdrukken.

à De patiënt is gebaat bij geheugentraining: bezigheden als herinneringen ophalen, puzzelen en lezen, schrijven en en andere hersencapaciteit vergende activiteiten worden aanbevolen.

à De patiënt moet een vaste dag- en nachtstructuur hebben: denk hierbij aan structuren als: ’s nachts slapen, overdag wakker zijn, ’s morgens met brood ontbijten, ’s middags óf met brood óf warm lunchen en ’s avonds warm eten.

Troost

Bovenstaande zorg alleen is niet voldoende: Maarten heeft ook emotionele zorg nodig. Terminale patiënten moet het uiteraard zoveel mogelijk naar de zin gemaakt worden. Om het einde van Maartens leven zo draaglijk mogelijk te maken, stel ik voor dat:

à Hij vertroeteld wordt zoals een terminale patiënt normaal gesproken vertroeteld zou worden: zijn lievelingskostje koken, veel aandacht geven en lichamelijke affectie tonen.

à Hij niet uit zijn schijnwerkelijheid wordt gehaald als dat niet nodig is: in plaats van volhouden dat het keeshondje Kiss al jarenlang dood is maar liegen dat het thuis is achtergebleven. Maar hem, wanneer hij in paniek raakt omdat het oorlog zou zijn, geruststellen en hem verzekeren dat er geen oorlog is.

à Hij met zijn hond Robert, waarvan hij zielsveel houdt, onder begeleiding van Vera weer uit wandelen mag gaan langs de plekjes die hij vroeger placht te bezoeken (het café, het antiquariaat).

à Hij weer pianolessen krijgt van Greet, op wie hij heimelijk verliefd was.