Selecteer een pagina

Klassieke biotechnologie

De klassieke biotechnologie bestaat al sinds mensenheugenis. Het fokken van dieren en het veredelen van planten zijn hier voorbeelden van.
De genen van de muis lijken enigszins op de genen van een mens. Door onderzoek bij misvormde genen of zogenaamde knock-outs (genen die bewust worden uitgeschakeld) wordt onderzocht welk gen waarvoor verantwoordelijk is.
Bij de klassieke biotechnologie worden levende organismen industrieel gebruikt voor de productie van bepaalde chemische verbindingen. Hierbij gaat het om stoffen die het organisme van nature zelf aanmaakt.

Moderne biotechnologie

De moderne biotechnologie bestaat nog maar enkele decennia. Onder moderne biotechnologie worden technieken verstaan als genetische modificatie, mutatie, veredeling en celfusie. De grote doorbraak kwam met de ontdekking van het DNA. De erfelijke informatie van organismen is met name in deze stof opgeslagen. De biotechnologie heeft sinds ongeveer 1975 een aanzienlijke ontwikkeling doorgemaakt. Deze ontwikkeling speelt zich wereldwijd af en zeker in de geindustrialiseerde landen, waaronder Nederland, in hoog tempo. Er is een enorme hoeveelheid gegevens verzameld die met behulp van de informatietechnologie steeds sneller kan worden ontsloten. Met behulp van deze kennis is het mogelijk om heel gericht de eigenschappen van cellen te beinvloeden. Middels dit genetisch modificeren kan men productieprocessen winstgevender maken en hoopt men kwalitatief betere producten af te leveren. Er is echter niet aangetoond dat dit geen negatieve gevolgen zal hebben voor gezondheid en milieu.
Deze moderne biotechnologie kan een sterke invloed hebben op ontwikkelingen in de samenleving en is daardoor een bron van voortdurende maatschappelijke discussie. Enerzijds biedt dit perspectief voor innovatie van de gezondheidszorg, de landbouw, de voeding en het milieu. Anderzijds roepen deze mogelijkheden vragen op. Een volledige uitsluiting van risico’s, zogeheten nulrisico’s, is onmogelijk. Door behoedzame afwegingen hoopt men de risico’s echter wel zo klein mogelijk te houden. Het gaat om een afweging tussen mogelijke risico’s en het beoogde maatschappelijk nut van nieuwe biotechnologische ontwikkelingen.
Bij genetische modificatie is een onderscheid te maken in transgenese en cisgenese.
Bij de transgenese wordt soortsvreemd DNA en bij cisgenese wordt soorteigen DNA ingebracht. Moderne biotechnologie kan gedefinieerd worden als een verzameling van technieken gebaseerd op moleculair biologische kennis en eventueel in combinatie met andere technologieen, waarmee delen of kenmerken van levende organismen kunnen worden gebruikt voor industriele toepassingen. Hierdoor wordt het mogelijk om organismen stoffen te laten produceren die ze van nature niet kunnen produceren. Een voorbeeld hiervan zijn micro-organismen die een hepatitis-B vaccin maken. In de jaren `70 waren er twee belangrijke ontdekkingen die de basis vormden voor de biofarmaceutische industrie: de monoklonale antilichaamtechnologie en de recombinant DNA-technologie (genetic engineering).

Biotechnologie bij dieren

Het is in Nederland verboden om het genetisch materiaal van dieren te wijzigen en om biotechnologische handelingen bij een dier of embryo toe te passen, tenzij de minister van LNV hiervoor een vergunning afgeeft. Onder het verrichten van biotechnologische handelingen bij dieren wordt het volgende bedoeld: handelingen die nodig zijn om transgene ofwel genetische gemodificeerde dieren te maken. Deze vergunningplicht is geregeld in de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren.

De minister geeft deze vergunning alleen af als de biotechnologische handelingen geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor de gezondheid of welzijn van de dieren en als er tegen deze biotechnologische handelingen geen ethische bezwaren bestaan. In het Besluit Biotechnologie bij Dieren staan nadere regels over hoe aanvragen voor een vergunning behandeld dienen te worden.
De Commissie Biotechnologie bij Dieren (CBD) adviseert de minister of een aanvraag wel of niet in aanmerking komt voor een vergunning. Deze Commissie bestaat uit deskundigen op het gebied van onder meer maatschappijwetenschappen, biotechnologie, diergeneeskunde, medische wetenschappen en ethiek.