Selecteer een pagina

De gazelle (en dan heb ik het over het dier, niet het fietsmerk) heet wetenschappelijk Gazella subgutturosa. In het Engels wordt het dier goitered gazelle of reem gazelle genoemd. Het dier versrpeidt zich van Arabië tot Mongolië en eet grassen en kruiden. Het gewicht kan oplopen tot 30-40 kg. De maten van het dier zijn bij zijn kop/romp 40 tot 110 cm en de schouderhoogte is 60 cm. Het dier valt onder de categorie holhoornige.

Van de gazelle bestaan vijftien soorten, waaronder de Thomsongazelle. De gazelle komt voor in de drogere graslanden, savannes, steppen en woestijnen van Afrika, Arabië, Zuidwest- & Centraal-Azië tot in India. De naam gazelle komt van het Arabische woord “ghâzal”, wat zowel “snel”, “sierlijk” als “raszuiver” betekent.
Gazellen zijn dan ook sierlijke dieren, met hun dunne poten, hun lange hals en hun gedraaide hoorns. De vachtkleur is meestal zandkleurig of rossig, met een witte onderzijde. Ze leven vaak in kuddes, maar ook wel alleen, en eten het liefst ruwe, makkelijk verteerbare planten en bladeren.
De gazelle wordt niet bedreigd, zoals veel diersoorten wel (de naam van het dier zal waarschijnlijk nog heel lang bestaan, want het fietsmerk is nog minder bedreigd dan het dier dat ook niet bedreigd wordt).
Gazelles hebben een wit achterwerk, de zogenaamde ‘spiegel’. Bij onraad of gevaar bewegen ze hun staart op en neer. De tegenstelling tussen het zwart van de staart en het wit van de vacht is dan heel opvallend. Zo weten de andere gazelles dat er iets niet in orde is.
Na de bevalling verstopt moeder gazelle haar jong in het hoge gras. Hij mag pas bij de rest van de groep als hij even snel kan vluchten als de volwassen dieren.
De moeder komt haar jong verschillende keren per dag zogen. Daarvoor neemt ze hem mee naar een plekje iets verderop. Na het zogen brengt ze hem weer terug. Op die manier zijn er bijna geen sporen rond de plaats waar het jong verstopt zit. Best goed uitgedacht van dat beest vind ik.

Koning der dieren

De leeuw is een groot roofdier met een sterk gespierd lichaam. Hij is soepel, behendig en kan heel hard lopen. Ook kennen we de leeuw door zijn kracht en woest gedrag.
De leeuw hoort bij de familie van de katachtige.

Uiterlijk van de leeuw:

Leeuwen zijn na tijgers de grootste katten. Een volwassen mannelijke leeuw is een indrukwekkende verschijning. Jonge mannetjes hebben meestal gele bruine manen en oudere mannetjes herken je aan de zeer donkere manen. Een jong mannetje krijgt manen als hij 3 jaar is. Het mannetje is veel groter dan het vrouwtje. Een volwassen leeuw kan wel 250 kilo wegen! De vacht van de leeuw beschermt zijn huid en houd het erg warm.  De dikke zool en teenballen onder een leeuwenpoot lijken op kussens. Ze zorgen ervoor dat de leeuw erg stil kan bewegen en het zijn schokdempers als hij rent en springt. Tussen de ballen en de beharing liggen de nagels veilig opgeborgen tot ze nodig zijn. Aan de staart van de leeuw kun je zien in wat voor humeur ze zijn. Als de leeuw boos is dan zwiept zijn staart heen en weer. Als de staart zachtjes heen en weer gaat is hij tevreden. Leeuwen kunnen ook uitstekend zien. Doordat hun ogen iets uit elkaar staan, kunnen ze goed inschatten hoe ver iets is. Hun ogen zijn geschikt om ’s nachts en overdag te zien. De ogen zijn groot ten opzichte van de grootte van hun kop. ’s Nachts zien katten als zwart-wit. Overdag zien ze wel kleuren maar niet zo goed als mensen. De pupillen van een leeuw staan wijd open, als hij bang is worden het spleetjes. Leeuwen hebben een goed gehoor, veel beter dan van een mens. Ze kunnen kleine dieren door het gras horen kruipen en zelfs in hun ondergrondse hol horen.
Het praten van de leeuwen:
Leeuwengebrul is het luidste geluid dat katten maken. Het is zo luid dat alle katten in de buurt het horen. Leeuwen brullen na zonsondergang, na het doden en als ze klaar zijn met eten. Leeuwen maken minstens negen verschillende geluiden. Ze grommen ook naar elkaar als ze elkaar tegenkomen. Alle grote katten praten met elkaar. Ze laten elkaar weten hoe oud ze zijn, of ze man of vrouw zijn, hoe ze zich voelen en waar ze leven. Katten praten met signalen zoals geuren, krapsporen, en geluiden. De geuren komen van urine en geurklieren. Katten hebben geurklieren op hun kop en kin, tussen hun tenen en bij de aanhechting van hun staart. Elke keer als ze ergens tegen aan schuren, brengen ze hun eigen geur over. Katten maken veel verschillende geluiden, bijvoorbeeld leeuwen die in elkaars buurt zijn tjirpen, miauwen en janken naar elkaar. Leeuwinnen praten veel met hun jongen. De geluiden zijn zacht, zodat vijanden ze niet kunnen horen. Het zachtste en veiligste geluid is spinnen. Wetenschappers weten dat katten met elkaar praten, maar begrijpen nog niet veel van de taal. Katten praten ook met lichaamstaal. (bijvoorbeeld aan hun oren kun je zien hoe ze zich voelen en ze bewegen hun staart om te laten zien of ze opgewonden of geërgerd zijn.)

De jacht.
De jacht wordt gedaan door de leeuwinnen. De leeuwinnen jagen in groepen. Eén van de leeuwinnen sluipt om het prooidier heen. Tegelijk leiden de andere leeuwinnen de aandacht af. Ze latten zich duidelijk zien, zo omsingelen ze het dier. Dan rennen een paar leeuwinnen opeens op de prooi af. Die schrikt en rent de andere kant op om te vluchten. Maar daar staat die ene leeuwin op wacht, de zebra of gazelle rent zo in haar klauwen.
Leeuwen doden niet altijd hun prooi. Soms wachten ze tot andere dieren dat werk voor ze opgeknapt hebben. Als bijvoorbeeld en hyena een dier gedood heeft, maakt hij veel lawaai. Als de leeuwen dat geluid horen komen ze van kilometers ver aangerend, ze jagen de hyena’s weg en eten de prooi op. De prooi van vrouwtjesleeuwen is meestal groot zoals een gazelle.

Door zijn opvallende uiterlijk is het mannetje minder geschikt om te jagen, want ze kunnen hem met die manen al van ver zien aankomen. Veel mannetjes leven uitsluitend van het voedsel dat de vrouwtjes vangen. Zelf nemen ze haast nooit een kans om iets te vangen (negen van de tien prooidieren vangen de vrouwtjes!!!). Hoewel het mannetje haast nooit helpt bij de jacht, heeft hij wel steeds voorrang van de buit. Hij sleept de prooi naar de schaduw, doet er zich tegoed aan en dan mogen de leeuwinnen en de welpen eten. Tegen zonsondergang laten de leeuwinnen hun welpen alleen en dan gaan ze opjacht. Hun zandkleurige huid maakt ze onzichtbaar tussen de hoge dorre grassen.