Selecteer een pagina

Praefatio

Mijn verlangen (geest) brengt mij ertoe te vertelen over gedaanten die in nieuwe lichamen werden veranderd: goden, – u bracht immers ook die veranderingen tot stand – ondersteun mijn onderneming met inspiratie en leid mijn lied vanaf de eerste oorsprong van de wereld ononderbroken tot aan mijn eigen tijd!

De schepping van de mens

Een hoger wezen dan deze, en beter in staat tot verheven denken, en dat over de overige kon heersen, ontbrak nog: de mens werd geboren, hetzij dat die schepper van het heelal, de oorsprong van een betere wereld, hem maakte uit een goddelijke kiem, hetzij dat de aarde, die pas gevormd was en onlangs gescheiden van de hoge aether, [nog] kiemen van de verwante hemel in zich had; de zoon van Iapetus vormde deze [aarde], vermengd met regenwater, naar het beeld van de goden die alles besturen, en, terwijl de overige wezens naar beneden gericht naar de aarde kijken, gaf hij de mens een naar boven gericht gelaat en beval hij hem naar de hemel te kijken en zijn gezicht omhoog te richten naar de sterren. Zo werd de aarde, die pas nog onbewerkt en vormeloos geweest was, veranderd en nam tot dan toe onbekende gedaante van mensen aan.

Deucalions klacht

De aarde was weer tevoorschijn gebracht (teruggegeven); toen Deucalion haar leeg zag [liggen] en [toen hij zag] dat de verlaten landen in diepe stilte gehuld waren (een diepe stilte betrachtten), sprak hij, terwijl tranen opwelden, als volgt tot Pyrrha: ‘O Zuster, o echtgenote, o vrouw die als enige nog leeft, die een gemeenschappelijke afkomst met mij verbond, en het feit dat je afstamt van mijn vaders broer, en vervolgens het huwelijksbed, [en die] op dit moment juist de gevaren met mij verbinden, van de landen die door de zonsondergang en de zonsopkomst gezien worden (die de zonsondergang en de zonsopkomst zien), zijn wij tweeën de gehele bevolking; van het overige heeft de zee zich meester gemaakt. Ook dit is nog geen voldoende zeker[e reden om te] vertrouwen op [het behoud van] ons leven; ook nu nog maken wolken de geest bang. Hoe zou jij je nu voelen (wat voor een gevoel zou er nu voor jou zijn), beklagenswaardige [vrouw], als je zonder mij aan het noodlot ontrukt was? Hoe zou je alleen de vrees kunnen dragen? Wie zou je troosten in je verdriet? Immers, geloof me, als de zee ook jou in zijn bezit zou hebben, dan zou ik je volgen, vrouw, en dan zou de zee ook mij in bezit hebben. Ach, kon ik maar met de kunst van mijn vader de mensheid (de volken) herstellen en leven (zielen) doen binnenstromen in de geboetseerde aarde! Nu is het sterfelijk geslacht [slechts] in ons tweeën over – zo wilden de goden het – en blijven [slechts] wij over als voorbeelden van mensen!’

Deucalion en Pyrrha raadplegen het orakel

Hij had gesproken, en zij weenden; zij besloten een smeekbede te richten tot de hemelse macht en hulp te vragen door middel van het heilige orakel. Er is geen oponthoud: ze gaan direct naar de stromen van de Cephisus, die weliswaar nog niet helder zijn, maar wel al de bekende bedding(en) volgen. Zodra zij water, daaruit opgeschept, op hun kleren en hun hoofd gesprenkeld hebben, wenden zij hun schreden naar het heiligdom van de heilige godin, waarvan de gevel vaal was van smerig zeewier en [waarvan] de altaren zonder vuren stonden.

Zodra ze de treden van de tempel bereikt hadden, vielen beiden (valt elk van beiden) voorover op de grond en gaven (gaf) angstig kussen aan de koude steen en ze spraken als volgt:

‘Als goden zich door gerechtvaardigde smeekbeden laten overwinnen en vermurwen (zich overwonnen laten vermurwen), als de toorn van de goden omgebogen kan worden (wordt), zeg [ons dan], Themis, op welke manier het verlies van ons geslacht hersteld kan worden (herstelbaar is), en breng hulp, allermildste [godin], aan de ondergedompelde wereld.’

De godin was geroerd en gaf een orakel: ‘ga weg uit de tempel en omhul uw hoofd en maak de kleren die u aan heeft los en werp de botten van de/uw grote moeder achter uw rug.’

Ze waren lange tijd verbijsterd, en als eerste verbreekt Pyrrha de stilte met haar stem en weigert aan de bevelen van de godin te gehoorzamen en met angstige mond vraagt ze om vergiffenis (dat ze haar vergiffenis schenkt) en ze is bevreesd om de schim van [de/hun] moeder te schenden door het werpen van botten. Intussen herhalen ze bij zichzelf in de duisternis gehulde (in ondoorzichtige schuilhoeken verborgen) woorden van de gegeven orakelspreuk en bespreken deze met elkaar. Vervolgens stelt Prometheus’ zoon met kalme woorden de dochter van Epimetheus gerust en zegt: ‘of ons verstand is bedrieglijk of – orakels zijn vroom en raden geen enkele schanddaad aan – de grote moeder is de aarde: ik denk dat met de botten de stenen in het lichaam van de aarde worden bedoeld; ons wordt bevolen om díe achter onze rug te werpen.’

Hoewel de afstammelinge van de Titanen onder de indruk (bewogen) is van (door) de uitleg van haar echtgenoot, verkeert haar hoop toch in twijfel: zozeer wantrouwen zij beiden de hemelse aanwijzingen. Maar wat zal het hen schaden om het te proberen? Ze gaan uiteen en omhullen het hoofd en maken hun kleren los en werpen de stenen, zoals bevolen (de bevolen stenen), achter hun voeten (voetsporen).

Een nieuw mensengeslacht

De stenen – wie zou het geloven, als niet de eeuwenoude overlevering als getuige zou fungeren? – begonnen hun hardheid en hun stijfheid af te leggen en langzamerhand zacht te worden en, zacht geworden, een vorm te krijgen. Spoedig, toen ze gegroeid waren en een zachtere aard hun ten deel gevallen was, kon er weliswaar énige, maar nog niet een duidelijke vorm van een mens gezien worden, maar, zoals [een standbeeld, nog maar pas] begonnen uit marmer, nog niet voldoende afgewerkt en zeer gelijkend op [nog] ruwe beelden [is]. Toch werd ieder bestanddeel daarvan dat (welk bestanddeel daarvan) door enig sap vochtig was en van leem, gebruikt om vlees te vormen; wat hard is en niet gebogen kan worden (wordt), verandert in botten; wat zojuist ader was, behield diezelfde naam (bleef onder dezelfde naam); en in korte tijd kregen door de macht der goden de stenen die geworpen waren door de handen van de man de gedaante van mannen, en door de worpen (worp) van de vrouw werd de vrouw hersteld. Daardoor zijn wij een hard geslacht en bestand tegen inspanningen en wij laten zien (geven bewijzen), uit welke oorsprong mij geboren zijn.