Selecteer een pagina

Golfoorlog

Gedurende en na de oorlog Iran-Irak waren er conflicten opgekomen tussen Irak en Koeweit. Irak had zware schulden aan Koeweit en andere landen vanwege de financiering van de oorlog, ook beschuldigde Irak Koeweit ervan dat het de grens tussen de twee staten overtreden had en militaire installaties en oliebronnen had gebouwd aan de Irakese zijde van de grens. Daarnaast produceerden de Koeweiti’s te veel olie waardoor de prijs daalde en Irak inkomsten misliep.

Toen onderhandelingen tussen de beide staten op niets uitliepen, viel Irak op 2 augustus 1990 Koeweit binnen. De Irakese president Saddam Hoessein verklaarde dat Koeweit een provincie van Irak was, wat het geval was geweest in de tijd van het Ottomaanse Rijk (Turkse Rijk).
De inval werd vrijwel meteen veroordeeld in de Veiligheidsraad: Irak werd een ultimatum gesteld om zich voor 15 januari 1991 uit Koeweit terug te trekken. De Verenigde Staten stuurden troepen naar het gebied, om een eventuele volgende Irakese inval in Saoedi-Arabië tegen te gaan (ook al waren er geen concrete aanwijzingen dat Irak een zodanige inval gepland had).

De Verenigde Staten organiseerden een grote internationale coalitie van uiteindelijk 34 landen (waaronder Nederland), hoewel driekwart van de soldaten van de VS afkomstig was. Vredesonderhandelingen mislukten, omdat de VS slechts onvoorwaardelijke en volledige terugtrekking van de Irakese troepen redelijk achtten, terwijl Irak deze terugtrekking aan voorwaarden wilde verbinden ( zoals terugtrekking van Syrië uit Libanon en van Israël uit de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever). Saddam Hoessein probeerde zich op deze wijze als een kampioen van de Arabische wereld te presenteren. Veel Palestijnen en ook andere Arabieren vonden hem ook daadwerkelijk een kampioen.
Irak trachtte intussen in Koeweit een marionettenregering op te zetten. Toen dit niet het gewenste resultaat opleverde, benoemde hij zijn neef Ali Hassan al-Majid (“Ali Chemicali”) tot militair gouverneur van Koeweit. Ondertussen hield hij de aanwezige buitenlanders in Irak vast en trachtte via hen ook onderhandelingsruimte te verkrijgen.

Verloop van de oorlog
Op 16 januari, één dag na het aflopen van het ultimatum, begon de coalitie een luchtoffensief tegen Irak onder de naam Operatie Desert Storm. De operatie zou het grootste luchtoffensief uit de geschiedenis worden, en het grootste grondoffensief sinds de Tweede Wereldoorlog. De geallieerden onder leiding van de Amerikaan Norman Schwarzkopf wisten een uiterst modern en machtig leger op de been te brengen van 700.000 man, 3.500 tanks, 1.700 vliegtuigen en 149 oorlogsschepen. Irak beschikte echter ook over een moderne luchtmacht, en een landmacht die nog groter was: een miljoen man. Op papier was dit een enorm leger, maar in de praktijk waren de soldaten weinig waard want het overgrote deel hiervan bestond uit het Volksleger: dienstplichtigen die veel slechter gemotiveerd waren dan de Republikeinse Garde en Speciale Eenheden. Toch hadden de geallieerde militaire leiders op een voorafgaand groot luchtoffensief aangedrongen, om de Irakese troepen in Koeweit en Zuid-Irak te verzwakken.

Al snel werd duidelijk dat de geallieerden de baas waren in de lucht. Zij vernietigden eerst de radarstations, waardoor de Irakese luchtmacht vrijwel “blind” werd. Mede hierdoor kon de Irakese luchtmacht, die met moderne Russische jagers was uitgerust, zijn capaciteit niet goed benutten, en er minder weerstand geboden kon worden dan verwacht. De luchtmacht van de coalitie bombardeerde militaire doelen in Irak, waarbij drie gebieden het belangrijkst waren: Bagdad vanwege de administratieve centra daar, West-Irak omdat vanuit daar Scuds op Israël konden worden afgeschoten, en Zuid-Irak om de militaire kracht van de daar gelegerde troepen te ondermijnen. De Irakese luchtmacht was grotendeels intact, maar durfde nauwelijks nog zijn basissen te verlaten.

Maar de Irakese leider Saddam Hoessein had een ander wapen in petto: de Scud-raket. Daags na het begin van Desert Storm werden tien van deze lange afstandsraketten op Tel Aviv en Haifa afgeschoten, in een poging van Irak om Israël in de strijd te betrekken. Dit zou wellicht de publieke opinie in de Arabische landen aan de zijde van Irak brengen. De Amerikanen wisten de Israëlische regering ervan te overtuigen dat terugslaan zinloos was en tot een gevaarlijke escalatie kon leiden. Israël overwoog een tegenaanval uit de lucht, maar riep zijn vliegtuigen terug toen ze nog boven Israël waren. Overigens richtten de raketten weinig schade aan, en misten niet alleen de steden maar haalden zelfs Israël niet. In totaal werden er in 1991 39 raketten op Israël afgevuurd. Gelukkig kon een deel onderschept worden door Amerikaanse Patriots, dus velen hebben Israël niet bereikt.

Op 24 februari begon Operatie Desert Sable, de grondaanval. De aanval was een tangbeweging, waarvan de linkervleugel via een omtrekkende beweging naar de Eufraat zou oprukken en de rechtervleugel Koeweit zou bevrijden. De verzwakte Irakese troepen hadden zeven weken bombardementen moeten verduren en werden hierdoor ook slecht bevoorraad. Ze boden dan ook weinig weerstand en trokken terug of gaven zich met hele brigades en divisies tegelijk over. De Republikeinse Garde was van een ander kaliber maar kreeg al snel de handen vol met dringender zaken: in het land dreigde rebellie.

Op 27 februari trokken geallieerde troepen Koeweit-stad binnen. De helft van het Irakese leger was uitgeschakeld en ’s avonds liet Irak weten dat alle VN-resoluties over terugtrekking uit Koeweit zouden worden aanvaard. President Bush besloot tot een staakt-het-vuren.

Hiermee kwam een einde aan de oorlog die bijna 7 weken het wereldnieuws geregeerd had. Het had slechts 43 dagen geduurd voordat deze oorlog al weer ten einde was gekomen. Maar volgens officiële cijfers zijn er in die 43 dagen aan de geallieerde zijde 131 militairen gesneuveld en 100 militairen verongelukt. Vanuit Irak werden 20.000 doden door de luchtaanvallen gemeld en 15.000 doden zouden omgekomen zijn bij de grondoorlog. Maar er zijn ook andere schattingen gemaakt, die komen uit tussen de 100.000 en 150.000 doden.

Hoewel de oorlog officieel al afgelopen was, waren de gevolgen van de gevechten nog lang te merken, pas op 7 november in 1991 kon de laatste oliebrand in Koeweit geblust worden. En zelfs nu nog kan men in Koeweit de Snelweg der Dood aanschouwen. Deze naam is gegeven aan de twee snelwegen in Koeweit waarover Irakese troepen zich op 26 en 27 februari aan het terugtrekken waren. De geallieerde luchttroepen vielen deze konvooien aan, ze vernietigden eerst de voorste en de achterste voertuigen, waarna ze de overige klemzittende militaire voertuigen bombardeerden. Tijdens deze actie werden duizenden Irakezen gedood, ongeveer 2000 verkoolde voertuigen werden geteld.