Selecteer een pagina

Economie in Balans Hoofdstuk 2 Economisch denken

§ 2.1 Productie

Externe effecten: positieve of negatieve bijwerkingen van productie en consumptie die buiten de makrt om de welvaart van anderen beïnvloeden.

Produceren: het voortbrengen van goederen en diensten met behulp van productiefactoren (of productiemiddelen) door bedrijven en overheid

Productiefactoren:
1. Natuur: hiertoe behoren de natuurlijke omgeving, de natuurlijke hulpbronnen (grond- stoffen, delfstoffen) en de ligging van een gebied.
2. Arbeid: betaalde arbeid die waarde toevoegt aan de productie.
3. Kaptiaal: kapitaalgoederen; derhalve vervaardigde goederen die vervolgens gebruikt worden bij de voortbrenging van andere goederen. Voorbeelden van de productiefactor kapitaal zijn: machines, gebouwen, transportmiddelen en de inventaris van een bedrijf. Vaste kapitaalgoederen: deze gaan meerdere productieprocessen mee, soms zelfs vele jaren, zoals vliegtuigen en hangars.
Vlottende kapitaalgoederen: deze gaan maar één productieproces mee, zoals de maaltijden in de vliegtuigen en de kerosine in de tank.
4. Ondernemersactiviteit: de economische risico’s die de eigenaren van bedrijven bereid zijn te nemen, vooral bij het opzetten van een onderneming.

Productiefactoren zijn alternatief aanwendbaar, ze kunnen voor meerdere doeleinden worden gebruikt.

Productiefactor Prijs
Natuur Pacht
Arbeid Loon
Kapitaal Rente
Ondernemersactiviteit winst

CBS: (Centraal Bureu voor de Statistiek) verzamelt gegevens over de omvang en de samenstelling van de nationale productie

Nationaal product: de waarde van de productie in een land in een jaar

Productiecapaciteit: het maximaal mogelijke aantal producten dat die onderneming in een bepaalde periode kan voortbrengen.
Productievolume: het aantal producten dat die onderneming in een bepaalde periode werkelijk produceert

Korte termijn:
Op de korte termijn wordt de productiecapaciteit van een onderneming bepaald door de bij de onderneming aanwezige hoeveelheid vast kapitaal.

Lange termijn:
Door uitbreiding van de gebouwen en meer en/of snellere machines aan te schaffen kan een onderneming haar productiecapaciteit vergroten.

Substitutieprobleem: het vraagstuk van de onderlinge verhouding waarin de productiefactoren arbeid en kapitaal kunnen worden aangewend

Arbeidsintensief: een productieproces is arbeidsintensief als er in verhouding tot de productiefactor kapitaal veel gebruik wordt gemaakt van de productiefactor arbeid
Arbeidsintensiteit: de hoeveelheid gebruikte arbeid per eenheid kapitaal

Kapitaalintensief: een productieproces is kapitaalintensief als er in verhouding tot de productiefactor arbeid veel gebruik wordt gemaakt van de productiefactor kapitaal.
Kapitaalintensiteit: de hoeveelheid aangewende kapitaalgoederen per eenheid arbeid

§ 2.2 Inkomsten en uitgaven van de familie Janssen

Primair inkomen: Het inkomen dat als beloning ontvangen wordt voor het ter beschikking stellen van productiefactoren.

Secundair inkomen = primair inkomen – inkomstenbelasting – sociale premies + sociale uitkeringen + subsidies

Besteedbaar inkomen = secindair inkomen (hiermee wordt door gezinnen geconsumeerd)

Nettoloon = brutoloon – ingehouden loonbelasting – ingehouden sociale premies

Vaste lasten: hoge uitgaven die regelamtig terugkeren

Incidentele uitgaven: grote uitgaven voor veelal duurzame consumptiegoederen (zoals bijvoorbeeld een auto)

Dividend: een deel van de winst van een Naamloos Vennootschap

§ 2.3 Marktwerking

markt: een makrt is het samenhangend geheel van vraag naar een aanbod van goed. Dat kan een product, een dienst of een productiefactor zijn.
– er is een vrij spel van vraag en aanbod, dit is belangrijk voor de prijs van het goed

Concrete markt: vb. : Woenselse Markt
Abstracte markt: vb. : huizenmarkt, oliemarkt

Arbeidsmarkt:
– werknemers bieden hun arbeid aan en vragen werkgevers arbeid. De prijs die op de arbeidsmarkt tot stand komt, heet loon of salaris

Vermogensmarkt:
– Op de vermogensmarkt kunnen bedrijven geld lenen om kapitaalgoederen aan de schaffen, als er veel geld wordt geleend kan dat een stijging van de rente veroorzaken.

Structuurbeleid: het beleid van de Nederlandse overheid dat gericht is op een versterking van de aanbodzijde van de Nederlandse economie.
– concurrentiepositie versterken
– lagere belastingtarieven
– beperkte loonstijgingen
– beperkte overheidstekorten
– verbeterde infrastructuur
– vrijere marktwerking in het economische leven

marktconform beleid: versterkt de concurrentie tusen de aanbieders
1. kartelvorming: samenwerkingsvorm tussen ondernemingen die tot doel heeft de onderlinge concurrentie te beperken (bijvoorbeeld via prijsafspraken)
2. deregulering: het afschaffen of versoepelen van bestaande regelgeving die een goede werking van markten in de weg staat
3. Heffingen en subsidies: bepaalde productieprocessen en/of producten worden duurder of goedkoper, spel van vraag en aanbod blijft in stand.
4. Privatisering: het afstoten of uitbesteden overheidsdiensten aan de particuliere sector (bedrijven)

Voorwaardenscheppend: een politiek die voor ondernemers de juiste voorwaarden schept om nieuwe kansen en nieuwe uitdagingen van de makrt te kunnen grijpen

Belangengroep: een organisatie die voordelen probeert te behalen voor de mensen die ze vertegenwoordigt (bijvoorbeeld Consumentenbond en ANWB)
Vakbonden: zij zorgen voor de belangen van de werknemers
Werkgeversorganisaties: zij behartigen de belangen van de ondernemingen. Ze wijzen de overheid op de gevolgen van overheidsmaatregelen voor de concurrentiepositie en voor de winstgevendheid van het Nederlandse bedrijfsleven.
Milieugroepen: zij wijzen de overheid op de negatieve gevolgen van economische groei voor de toekomstige leefbaarheid van de wereld.

§ 2.5 Investeringen, arbeidsproductiviteit, loonkosten en concurrentie-vermogen