Selecteer een pagina

Samenvatting Economie Hoofdstuk 5 Produceren voor de markt

§ 5.1 Ondernemingsvormen

eenmanszaak:
– onderneming met één eigenaar (vaak in horeca)

vennootschap onder firma (VOF)
– aantal vennoten brengt arbeid en vermogen in
– afspraken over organisatie leiderschap en inbreng van geld
– voordelen:
– de taken zijn verdeeld (arbeidsverdeling)
– firmamanten (vennoten) kunnen met elkaar overleggen
– iedere vennoot is hoofdelijk aansprakelijk voor mogelijke schulden
– hangt van inbreng van vennoten af, hoe de winst wordt verdeeld

De besloten en naamloze vennootschap
– aandeelhouders zijn eigenaar
– aandeelhouders zijn niet verantwoordelijk voor eventuele verliezen van BV/NV
– aandeelhouders krijgen deel van de winst: dividend
– van de winst gaat eerst 35 % vennootschapsbelasting af
– deel van de winst dat in onderneming gaat, wordt reserve van BV/NV
– aandeelhouders kunnen nooit met privé-vermogen aansprakelijk worden gesteld voor eventuele schulden
– BV en NV zijn volgens de wet rechtspersonen
– Rechtspersonen: organisatie met rechten en plichten hebben. Het kan zijn eigen bezittingen en zijn schulden hebben, los van alle leden die ertoe behoren.
– Schuldeisers kunnen alleen aan het vermogen van de BV/NV komen
– Aandelen van een NV zijn vrij verhandelbaar
– Aandeelhouders van BV zijn vaak personen uit een kleine kring. Aandeelhouders worden geregistreerd, buitenstaanders kunnen niet zomaar aan die aandelen komen  toestemming van directie is nodig.
– directieleden zijn gekozen door aandeelhouders

§ 5.2 De balans en de resultatenrekening van een onderneming

Rechterkant van de balans bestaat uit (credit) bronnen waaruit het geld van de onderneming afkomstig is. Eigen vermogen en Vreemd vermogen (= passiva)
Eigen vermogen: – eigenaar heeft er zelf voor gezorgd. In BV of NV bestaat eigen vermogen grotendeels uit aandelenvermogen
– reserves: neemt toe als winst in de onderneming blijft. Dit begrip wordt ingehouden winst genoemd.
Vreemd vermogen: – schulden van geleend geld
– betalingsverplichting (bijv. aan belasting of aan leveranciers)

Aan de linkerkant van de balans (debet) zien we wat er met het vermogen van de
onderneming is gedaan. Hier staan de bezittingen van de onderneming (= activa).
Deze kunnen bestaan uit: grond, machines, gebouwen. Voorraden, geld in kas, geld op
de bank, vorderingen voor geleverde goederen of diensten op afnemers (debiteuren)

Resultatenrekening: kosten en opbrengsten van een onderneming.

Balans laat de stand van zaken op een bepaald moment zien en resultatenrekening laat
de winst of het verlies over een bepaalde periode zien.

§ 5.3 Produceren

Korte termijn:
– Productiecapaciteit: de maximaal mogelijke productie in een bepaalde periode
– Productievolume (productieomvang): werkelijke omvang van de productie van een
onderneming in een bepaalde periode.
Het hangt van het productievolume af, in welke mate de productiecapaciteit wordt
benut.

Lange termijn:
– Uitbreidingsinvesteringen: aanschaf van meer of verbeterde kapitaalgoederen

De volgende factoren bepalen de omvang van particuliere investeringen:
– winstverwachtingen: als een bedrijf stijging van de winst verwacht dan zal het in de toekomst over meer financiële middelen beschikken om leningen te kunnen aflossen. (leningen die bijv. nodig waren om meer machines te kunnen aanschaffen)
– afzetverwachtingen: als een bedrijf toename van de afzet verwacht, doet het er goed aan de productiecapaciteit uit te breiden om in de toekomst aan de grotere vraag te kunnen voldoen.
– vermogenskosten: als de rente laag is, is investeren met behulp van geleend geld aantrekkelijker dan bij een hoge rentestand. De kosten van het aantrekken van vreemd vermogen zijn dan namelijk laag.

bruto-investeringen: alle investeringen van een bedrijf in een bepaalde periode.
netto-investeringen: investeringen wegens vervanging van versleten kapitaalgoederen wordt afgetrokken van de bruto-investeringen.

afschrijvingen: waardeverlies van kapitaalgoederen door slijtage

§ 5.4 De productiecapaciteit

productiviteit van een productiefactor: aantal eenheden product dat één eenheid van de productiefactor gemiddeld per periode voortbrengt.

Productiefactor Omvang hangt af van Productiviteit hangt af van
Natuur – natuurlijke omgeving
– natuurlijke hulpbronnen – uitputting natuurlijke hulpbronnen;
– milieuvervuiling
Arbeid – beroepsbevolking – scholing/ ervaring/ arbeidsverdeling/ gezondheid
Kapitaal – investeringen – technische ontwikkeling
Ondernemersactiviteit – bereidheid om economische risico’s te nemen – kwaliteit van de ondernemersbeslissingen

Niet alleen de omvang, maar ook de aard van de productiecapaciteit kan in de loop van de jaren veranderen. Bedrijven kunnen bijvoorbeeld besluiten om op een andere manier te gaan produceren, om andere producten voort te brengen en om te investeren in een betere kwaliteit van de productiefactoren.

Drie soorten investeringen:
1. Diepte-investering: hoeveelheid kapitaalgoederen neemt meer toe dan de hoeveelheid arbeid. Verhouding kapitaal/arbeid stijgt. Dit gebeurt als de productiefactor kapitaal goedkoper is dan de productiefactor arbeid, maar ook als er nieuwe productietechnieken beschikbaar zijn die de arbeidsproductiviteit vergroten.
2. Milieusparende investering: Bijvoorbeeld besparen op grondstoffen en vermindering van uitstoot van schadelijke gassen. Dit gebeurt wanneer de productiefactor milieu te duur wordt, of de overheid strenge milieumaatregelen neemt.
3. Kapitaalbesparende investering: door een investering zijn minder eenheden kapitaal nodig voor dezelfde productieomvang. Bijvoorbeeld: er worden efficiëntere machines gebruikt bij het productieproces.

Innovatie: vernieuwing

Productinnovatie: nieuwe of verbeterde producten worden voortgebracht
discman, woningisolatie, mountainbike
Procesinnovatie: er wordt gebruikgemaakt van nieuwe productietechnieken
lopende band, thuisbankieren, postorderbedrijven

Factoren die bepalen of ondernemingen in voldoende mate geschikt personeel kunnen aantrekken, zijn:
– de scholingsgraad van de beroepsbevolking
– de omvang van de beroepsbevolking
– in hoeverre de potentiële beroepsbevolking (iedereen tussen 15-65) bereid is betaalde arbeid te verrichten.

§ 5.5 Het break-evenpunt

variabele kosten: variëren met de productieomvang
als een onderneming meer producten voortbrengt stijgen de variabele kosten

constante kosten: variëren niet met de productieomvang
wordt voor een groot deel bepaald door de productiecapaciteit
voorbeelden: afschrijvingskosten, interestkosten, kosten van onderhoudscontracten van gebouwen, machine’s, vrachtauto’s enz.

constante kosten kunnen stijgen door:
– huurverhoging
– loonstijging van het vaste personeel
– verhoging van de rente
– uitbreiding van onderneming  meer machines nodig

Totale kosten (TK) is gelijk aan de som van de totale variabele kosten (TVK) en de totale constante kosten (TCK)

TK = TVK + TCK

Stel dat de TCK E 15.000,- per periode zijn en dat de TVK telkens met E 25,- toenemen als de producent één eenheid product extra maakt. Productiecapaciteit is 1500 eenheden per product per periode. Aantal geproduceerde eenheden product geven we aan met q (van het Engelse quantity)

Aantal eenheden product
Q Totale variabele kosten
TVK = 25q Totale constante kosten
TCK = 15.000 Totale kosten
TK = 25q + 15.000
0
500
1000
1500 € 0
€ 12.500
€ 25.000
€ 37.500 € 15.000
€ 15.000
€ 15.000
€ 15.000 € 15.000
€ 27.500
€ 40.000
€ 52.500

Proportioneel variabele kosten: TVK is evenredig aan het aantal eenheden product q.

Kostenfunctie: laat zien wat het verband is tussen de kosten en het aantal geproduceerde eenheden product.

Grafiek:
– TVK (variabele kosten)-lijn begint in de oorsprong omdat er nog geen variabele kosten zijn als je geen producten voortbrengt.
– TCK (constante kosten)-lijn is een horizontale lijn, want deze kosten zijn even groot bij welke productie dan ook, in die periode.
– TK (totale kosten)-lijn begint ter hoogte van de totale constante kosten bij 0 eenheden product en is evenwijdig met de TVK-lijn

Totale winst (TW) = Totale opbrengst (TO) – totale kosten (TK)
TW = TO – TK

Omzet: in euro’s
Afzet: in eenheden product

Het snijpunt van een TO (totale omzet)-lijn en de TK (totale kosten)-lijn heet het break-evenpunt.

Break-evenomzet = break-evenafzet x verkoopprijs

Verticale as: kosten, opbrengsten en euro’s (omzet)
Horizontale as: aantal eenheden producten (afzet)

Kostendekking: producent moet zoveel verkopen om met de opbrengst alle kosten te kunnen dekken.
Maximale winst: productiecapaciteit moet optimaal benut worden

§ 5.6 De gemiddelde en de marginale opbrengsten/kosten

marginaal: betreft de extra geproduceerde/verkochte producten

Gemiddelde opbrengst (GO): opbrengst per eenheid product

GO = TO / q  GO = p x q / q  GO = p (= verkoopprijs)

Marginale opbrengst: extra opbrengst per extra eenheid product

MO = extra TO / extra q = TO / q

MO = TO’ stel: TO = 80q, dan is MO = 80 p = MO = GO

GO = TO / q

GVK = gemiddelde variabele kosten = TVK / q
GCK = gemiddelde constante kosten = TCK / q
GTK = gemiddelde totale kosten = TK / q

Marginale kosten (MK)= de extra kosten per extra eenheid product

MK = TK‘ = bijv. 25 bij de formule TK = 25q + 15000

TK = 25q + 15000

Q TVK GVK TCK GCK TK GTK MK
0 – – 15.000 – 15.000 –
500 12.500 25 15.000 30 27.500 55
1000 25.000 25 15.000 15 40.000 40
1500 37.500 25 15.000 10 52.500 35

Variabele kosten zijn proportioneel:
Ze nemen steeds met hetzelfde bedrag toe als de productie met één eenheid toeneemt; hier met € 25,-. De marginale kosten bedragen ook € 25,- per extra eenheid product. De gemiddelde en de variabele kosten zijn dus aan elkaar gelijk als de variabele kosten proportioneel zijn.

GCK daalt bij het toenemen van het aantal eenheden product

GCK = TCK / q (TCK blijf in dit geval gelijk en q wordt groter)

Totale kosten Gemiddelde kosten

Bij veel productieprocessen nemen de TVK en de TK niet recht evenredig toe met de productieomvang. Deze kosten stijgen eerst degressief (minder dan evenredig) en later progressief (meer dan evenredig)

Vaak wordt een redelijk kleine productie verbeterd door een betere arbeidsverdeling. De productie neemt dan in verhouding meer toe dan de arbeidskrachten. Hierdoor strijgt de arbeidsproductiviteit. Bij een verdere uitbreiding van de productie nemen de mogelijkheden om arbeidsverdeling te verbeteren weer af. Communicatie wordt moeilijker en productiviteit van de factor arbeid gaat dalen. De kosten stijgen in dat geval meer dan evenredig.

§ 5.7 Maximale winst

zolang bij een onderneming de MO ten gevolge van het verkopen van extra producten hoger is dan MK, kan hij zijn productiecapaciteit volledig benutten.

Een ondernemer kan zijn productie dus uitbreiden totdat MK > MO

Maximale totale winst: MO = MK

Gemiddelde winst (GW) = TW / q
of GO – GTK

MW = MO – MK

MW = 0  TW is maximaal

De Tw stijgt zolang de MG per extra eenheid product positief is. Dat betekent dus dat de MO groter zijn dan de MK.

TO = GO x q

TK = GTK x q

TW = GW x q GW = GO – GTK

Als GO = GTK  GW = 0 TW = GW x q = 0

MO = GO = p = prijsafzetlijn

TW is maximaal als MO = MK  q = 5

GW = GO – GTK = 80 – 52 = 28

TW = GW x q = 28 x 5 = 140

0000000000000000000000000000000

TW = TO – TK

TO = p x q = 80 x 5 = 400
TK = GTK x q = 52 x 5 = 260
TW = TO – TK = 400 – 260 = 140

Soms streeft een ondernemer niet naar maximale winst maar naar:
– maximale winst per product (GW = maximaal). Bij dergelijke productieomvang (q = 4)zijn de GTK het laagste, het verschil tussen GO en GTK het grootst dus dan is GW het grootst.
– kostendekking (TW = 0) bij een zo groot mogelijke productie. Dat is wanneer
GO = GTK. Dit is bij q = 2 en bij q = 6, maar aangezien hij een zo groot mogelijke productie wil kiest hij voor een productieomvang van 6 eenheden.

§ 5.8 Marktvormen

markt: samenhangend geheel van vraag en aanbod

volledige mededinging of volkomen concurrentie:
– er zijn veel vragers en aanbieders (prijs staat vast, alleen geen invloed)
– er wordt een homogeen goed verhandeld (geen kopersvoorkeuren)
– de markt is transparant (doorzichtig) (iedereen is overal van op de hoogte)
– toe- en uittreding op deze markt is vrij

volkomen markt: als er een homogeen goed verhandeld wordt op een
transparante markt.
koers: prijs van een aandeel

monopolie: als er maar één aanbieder van het product op de markt is

Verschillende soorten monopolies:
Wettelijke (staats- of overheids) monopolies: handhaven van een goed voorzieningenniveau en bereiken van kostenvoordelen door op grote schaal te produceren
Natuurlijke monopolies: hiervan is sprake als een bepaalde grondstof maar op één plaats voorkomt of als de omstandigheden alleen in een bepaald gebied geschikt zijn om een bepaald gewas te verbouwen.
Feitelijke monopolies: deze berust vaak op het hebben van een patent (octrooi). De onderneming bezit dan als enige het recht om het product voort te brengen. Er is ook sprake van feitelijke monopolie als een onderneming alle concurrentie heeft uitgeschakeld.

Oligopolie: weinig aanbieders beheersen de markt

Oligopolisten hebben belang bij stabiele marktverhoudingen, als er eentje de prijs verlaagt, moet de rest dat ook doen om te kunnen concurreren, zo worden de prijzen alsmaar lager, daalt de winst, maar blijft het marktaandeel gelijk.

De belangrijkste wapens op een oligopolistische markt zijn marketing en innovatie.
Vaak zijn het multinationale ondernemingen, doordat er steeds meer handelsbelemmeringen tussen landen wegvallen krijgen ze meer macht. Ze kunnen kiezen voor het land met de laagste belastingen of soepele wetgeving of soepele controle van de wetgeving.

Bij monopolistische concurrentie hebben we te maken met veel aanbieders die een, in de ogen van de afnemers, soortgelijk product aanbieden. Iedere aanbieders is als het ware de enige aanbieder (monopolist) van zijn product, maar ondervindt wel concurrentie van veel andere aanbieders, die een product aanbieden dat een beetje afwijkt van het hunne.
Middelen in de concurrentiestrijd zijn: assortiment, kwaliteit, prijsbeleid, garantie
Voorbeelden: supermarkten en warenhuizen

§ 5.9 De winst van een hoeveelheidsaanpasser

Bij volkomen concurrentie werkt de prijsmechanisatie optimaal. Prijs en hoeveelheid worden volledig bepaald door het spel van vraag en aanbod.

Collectieve vraagfunctie: hoeveelheid eenheden product die de vragers gezamenlijk vragen

Collectieve aanbodfunctie: hoeveelheid eenheden producten die de aanbieders gezamenlijk aanbieden

Evenwichtsprijs: gevraagde en aangeboden hoeveelheid zijn aan elkaar gelijk

De evenwichtsprijs kun berekenen door op te lossen qv = qa
Dan weet je de prijs, deze vul je in in één van de functies, dan weet je de bijbehorende hoeveelheid.

Prijsafzetlijn: deze geeft weer hoeveel eenheden van een product één individuele aanbieder op een markt kan afzetten bij uiteenlopende prijzen van dat product.
– horizontale prijsafzetlijnter hoogte van de evenwichtsprijs: op een markt van volkomen concurrentie; men kan alleen geen invloed uitoefenen op de prijs.

Hoe meer winst er wordt gemaakt op een product, hoe meer aanbieders er op de markt zullen komen. Aanbodlijn schuift naar rechts  evenwichtsprijs daalt  bedrijven maken minder winst.

Langetermijnevenwicht: er is sprake van maximale winst (MO = MK) en er is sprake van kostendekking (GO = GTK) dus p = MO = GO = MK = GTK

§ 5.10 Aanbodlijnen en heffingen

Individuele aanbodlijn: deze loopt gelijk met de MK lijn, want waar de MK de p = GO = MO snijdt, maakt de aanbieder maximale winst want MO = MK is maximale winst.

Grafiek blz 249

Soms blijft men produceren, ook al is GTK hoger dan GO, want de variabele kosten worden terugverdiend, maar hij verdient ook nog een deel van zijn TCK terug.

TK = TVK + TCK (: q)
GTK = GVK + GCK  GCK = GTK – GVK

De afstand tussen de GTK-lijn en de GVK-lijn geeft dus de GCK weer bij verschillende eenheden product.

Dus: de individuele aanbodlijn is de MK-lijn voor zover MK > GVK

Individuele aanbieder met de volgende functies: MK = q + 4 en GVK = ½q + 6

Individuele aanbodfunctie: p = MK. Omdat MK = q + 4 geldt ook p = q + 4
Dat kan gescrheven worden als q = p – 4. Dus qa = q = p – 4

Maar MK > GVK dus
Q + 4 > ½q + 6
Q > 4 dus qa = p –4 geldt alleen als q > 4

collectieve aanbodlijn: som van de individuele aanbodlijnen

heffing per product: GVK en MK stijgen met het bedrag van de heffing
!! Aanbodlijn valt samen met MK lijn dus deze verplaatst zich over een afstand die gelijk is aan het bedrag van de heffing.

Zowel individuele en collectieve aanbodlijn verplaatsen naar links, waardoor de evenwichtsprijs stijgt. Deze stijging wordt (gedeeltelijk) afgewenteld op de consument

§ 5.11 De opbrengsten van een prijszetter

prijszetters: ondernemingen die aanbieden op markten van onvolkomen concurrentie (monopolie, oligopolie en monopolistische concurrentie).
Prijsafzetlijnen hebben meestal een dalend verloop omdat ze bij een hogere prijs minder eenheden product afzetten.

prijsafzetlijn: aantal eenheden product die door individuele aanbieder afgezet kunnen worden bij uiteenlopende prijzen.
Hoe meer concurrentie (meer aanbieders, individuele aanbieder heeft minder invloed), des te vlakker de lijn.

Opbrengstfuncties moeten worden uitgedrukt in q (dus niet in p!).

TO = p x q
Voorbeeld:
p = – ¾ q + 6
TO = (- ¾ q + 6)q = – ¾ q² + 6q

Voorbeeld: Voorbeeld:
Nulpunten berekenen van TO. Extreme waarden berekenen van TO.
TO = 0 TO’ = – 6/4 q + 6 = 0
– ¾ q² + 6q = 0 – 6/4 q + 6 = 0
q ( – ¾ q + 6) = 0 – 6/4 q = -6
q = 0 of q = 8 q = 4/6 x 6 = 4
Grafiek: (0,0) en (8,0) Maximale waarde bij q = 4 die bedraagt – ¾ x 4² + 6 x 4 = 12.
Grafiek: (4,12).

Met behulp van grafiekpunten de TO-functie tekenen.

GO = prijsafzetlijn.
GO = TO : q = (p x q) : q = p

marginale opbrengst: extra opbrengst per extra eenheid product.
MO = TO’
r.c. MO-lijn = 2x r.c. prijsafzetlijn (GO)
MO = 0  TW maximaal

Bij monopolie:
prijsafzetlijn = GO-lijn = collectieve vraaglijn

Voorbeeld:
omvang TW met q = 3,57
TW = – 1/8 (3,57)³ + ¼ (3,57)² + 3 x 3,57 – 3 = 5,21
GO – GTK x q = TW

Bij (overheids)instellingen die geen winst hoeven te maken, ligt het break-evenpoint bij GO = GTK.

Is er sprake van proportioneel variabele kosten (MK is horizontale lijn), dan geldt dat GVK = MK.

Doelstellingen van ondernemingen:
– winstmaximalisatie (TW maximaal)  meestal op lange termijn
– kostendekking (TO = TK of GO = GTK)
– omzetmaximalisatie (TO maximaal)
– afzetmaximalisatie (q maximaal)

Bedrijfscontinuïteit (streven naar voortbestaan van onderneming)
– Proces- en productinnovatie om technische ontwikkeling bij te kunnen houden.
– Korte termijn: uitgaven proces- en productinnovatie gaan ten koste van de winst.
– Lange termijn: winstgevendheid blijft in stand door proces- en productinnovatie.

Werkgelegenheid (werknemers motiveren)
– Resultaten van bedrijf kunnen verhoogd worden doordat werknemers zich verantwoordelijk gaan voelen voor de gang van zaken in een bedrijf.
– Meeste ondernemingen vinden productiviteitsverbetering belangrijker dan het instandhouden van de werkgelegenheid.
– Ondernemingen hebben morele verantwoordelijkheid (t.o.v. werknemers en maatschappij) om zich in te zetten voor het behoud van werkgelegenheid.

Marktaandeel
Berekenen van marktaandeel als onderneming 1 product in assortiment heeft:

Betere formulering marktaandeel:

Klantenbinding is belangrijk omdat er in de toekomst wellicht meer winst kan worden gemaakt (door een grotere klantenkring).  minder interessant voor potentiële concurrenten om tot de markt toe te treden.

Ondernemersinkomen
– Eigenaar van eenmanszaak zal zijn (ondernemers)inkomen willen vergroten.
– Ondernemersinkomen van eigenaren van NV’s bestaat uit dividend dat op aandelen wordt uitgekeerd  aandeelhouders tevreden stellen i.v.m. verkoop van aandelen wat tot voldoende financiële middelen in de toekomst leidt.

Voorzieningenniveau
Overheidsmonopolies (openbare nutsbedrijven) zijn op handhaven van een goed voorzieningenniveau gericht.

prijsdifferentiatie: een onderneming hanteert voor een in de ogen van de afnemers identiek product op verschillende tijdstippen of in verschillende omstandigheden (bv. dag- en nachttarieven, hoog- en laagseizoenprijzen).

prijsdiscriminatie: onderneming vraagt verschillende prijzen voor een in de ogen van de afnemers identiek product van verschillende groepen afnemers (bv. blauwe/rode strippenkaarten, CJP-korting).

! Kan alleen plaatsvinden als aanbieder prijszetter is en als de deelmarkten duidelijk van elkaar gescheiden zijn (vragers op markt met hoge prijs moeten niet makkelijk kunnen uitwijken naar markt met lagere prijs en er mag niet worden doorverkocht).

omzet = p x q