Selecteer een pagina

Inleiding

Na enig wikken en wegen hebben we een vraagstelling gekozen. Deze vraagstelling luidt: “Wat houdt het huisartsentekort nu precies in en wat kan er aan gedaan worden?” Door middel van deelvragen wordt hier antwoord op gegeven. De eerste deelvraag geeft de probleemschets. In de tweede deelvraag worden de belangen van de verschillende partijen behandeld. In de derde deelvraag komen de wetten en het beleid aan bod en in de vierde de oplossingen in het probleem. Als laatste wordt er gesproken over de mening van de onderzoeksters en hun kijk op het probleem.
Er is voor dit onderwerp gekozen omdat het huisartsentekort al langere tijd bestaat en het moeilijk is een goede oplossing te vinden. Verder wordt Anneloes dagelijks geconfronteerd met het probleem, omdat haar vader ook huisarts is.
De partijen lijken tot nu toe maar niet tot een goede oplossing te komen. Het leek daarom wel een uitdaging om te bekijken of het werkelijk zo moeilijk was. En dit was ook zo. Dit probleem is erg omvangrijk en moeilijk op te lossen, mede door een tekort aan geld en het is ook moeilijk om alle partijen tevreden te stellen. Gelukkig wordt er veel aan gedaan om het zo snel mogelijk op te lossen en hopelijk is dit probleem snel uit de wereld.

Hoofdstuk 1 Het probleem

Algemeen
Het huisartsentekort is een groot probleem in Nederland. Dit probleem heeft tot gevolg dat over vier jaar ruim een miljoen mensen zonder huisarts zit. Als er niets aan gedaan wordt, zal over acht jaar ruim vier miljoen Nederlanders zonder huisarts zitten. Momenteel zijn dit 300.000 mensen. Het is dus van groot belang dat er iets aan gedaan wordt.

Oorzaken
Het probleem wordt veroorzaakt door een aantal factoren. Ten eerste is 12.6 % van de huisartsen op 1 januari 2001 vijfenvijftig jaar of ouder. Dat houdt in dat al deze artsen binnen nu en 10 jaar weg zijn. Dit zou geen probleem hoeven te zijn, aangezien er elk jaar ook nieuwe artsen bijkomen. Maar die instroom kan bij lange na de uitstroom niet bijhouden. En in de tijd dat deze 12.6 % is opgeleid (voor 1988) was de instroom voor de huisartsenopleiding erg hoog. Daarom zullen er veel nieuwe huisartsen moeten komen om de huisartsen die vertrekken te vervangen.
Ten tweede stoppen veel artsen op steeds vroegere leeftijd met werken. Dat heeft als gevolg dat binnen nu en tien jaar er 2.750 huisartsen hun baan opgeven.
Toch komen er nu wel genoeg nieuwe huisartsen, omdat er in 2001 in vergelijking met vijf jaar daarvoor 14% meer huisartsen in opleiding zijn. Zij zouden voldoende instroom geven om de vertrekkende artsen te vervangen.
Ten derde is maar liefst 60% van de afgestudeerde huisartsen in 2001 vrouw. En slechts 25% van de vrouwelijke huisartsen werkt fulltime. Ook komen er steeds meer jonge mannelijke artsen die parttime willen werken. Het aantal huisartsen is de afgelopen tien jaar weliswaar gestegen met 7%, maar aangezien zij bijna allemaal parttime willen werken, is het aantal arbeidsuren slechts met 1.6% gegroeid.
Nieuwe huisartsen zouden dit tekort op moeten vangen. Zij zijn afkomstig van de studie geneeskunde. Nu is er plaats voor 2800 geneeskundestudenten per jaar, maar om het tekort op te lossen moet dit meer worden. Hoeveel precies is niet bekend, maar er moeten minsten 670 huisartsen per jaar extra komen om het tekort op te lossen.
Dan lijken er dus nog steeds genoeg arbeidsuren en artsen over om de mensen te behandelen.
Desondanks ontstaan er toch nog problemen door de factor van toegenomen vraag. De Nederlandse bevolking maakt een sterke vergrijzing door. De mensen worden ouder en moeten dus vaker naar de huisarts. Het aantal consulten per jaar per persoon stijgt daardoor met 7.4%. Maar ook de jongere generaties patiënten vragen steeds vaker en meer aan de huisarts. De consumptie is dus fors toegenomen.
Uit deze gegevens is te concluderen dat er ondanks de groei van het aantal huisartsen in opleiding, wel een groot tekort is.

Door dit probleem moeten de patiënten ergens anders de zorg zien te halen die ze nodig hebben en ze worden dan vaak doorgewezen naar specialisten of een andere duurdere voorziening in de zorg. Ook moeten de patiënten door de bezuinigingen van de regering een hogere premie gaan betalen voor evenveel zorg. Ook zij worden er dus de dupe van.
De regering speelt natuurlijk een grote rol in deze kwestie. Zij is aan het bezuinigen in de gezondheidszorg, omdat de kosten blijven stijgen. Dit maakt het niet erg aantrekkelijk voor studenten om huisarts te worden, want ze zouden dan niet erg veel steun van de overheid krijgen en met veel problemen te maken krijgen bij het opzetten van hun huisartsenpraktijk. Daarom gaan ze liever iets studeren waarbij ze zekerder zijn van een vast inkomen en minder zorgen.

Oplossingen
Omdat het huisartsentekort zo’n grote impact heeft op de Nederlandse bevolking, wordt er veel aandacht aan besteed. Er zijn zelfs al een aantal oplossingen bedacht. De belangrijkste hiervan zijn: de huisartsen moeten meer financiële steun krijgen van de overheid, er moeten meer opleidingsplaatsen voor huisartsen komen, oude huisartsen moeten steun krijgen, zodat ze langer door kunnen werken. Op deze en andere oplossingen zal verderop in het verslag worden ingegaan.

Betrokkenen
Er is natuurlijk ook een groot aantal mensen met het huisartsentekort bezig. Er zijn veel artsenorganisaties die zich over dit probleem buigen, zoals LHV (Landelijke Huisartsenvereniging) en NHG (Nederlands Huisartsengenootschap). Ziektekostenverzekeraars, de overheid, maar ook patiëntenorganisaties bemoeien zich ermee. Enkele voorbeelden hiervan zijn het NPCF en het PCPF (de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie en het Patiënten en Consumentenplatform Friesland).
Al deze organisaties proberen een zo gunstig mogelijke oplossing voor hun leden te vinden. En dat is ook een reden waarom het voor de regering moeilijk is een oplossing te vinden, ze moeten namelijk rekening houden met alle partijen.

Gevolgen
Maar wat zijn de gevolgen als een miljoen Nederlanders geen huisarts meer heeft? Deze mensen kunnen gaan shoppen. Dat houdt in dat de patiënten zomaar naar een huisarts kunnen stappen om behandeld te worden. Dit lijkt ideaal, want wanneer een huisarts niet bevalt, kan de persoon naar een andere huisarts gaan. Maar weet de patiënt wel wat het beste voor hem is?
Een ander probleem is dat wanneer een patiënt geen vaste arts heeft, ook nergens zijn persoonlijke gegevens zijn vastgelegd. Dit is niet alleen vervelend omdat die gegevens iedere keer opnieuw moeten worden opgegeven. Maar ook omdat andere gegevens als: welke medicijnen zijn er in gebruik, de hoeveelheid medicijnen die de persoon gebruikt en andere medische gegevens, nergens zijn vastgelegd. Als de huisarts geen idee heeft van deze informatie, kunnen er sneller fouten ontstaan, door bijv. overdosering van een medicijn of een verkeerde combinatie van medicijnen. Dit kan ernstige gevolgen hebben voor de gezondheid van de patiënt.
Wanneer men wel een vaste huisarts heeft, zijn deze gegevens bekend. Daar komt nog bij dat de huisarts dan een betere band met de patiënt heeft en dat is fijn en belangrijk voor beide partijen, omdat men elkaar dan kent. Dan kan een huisarts o.a. de ernst van een klacht beter inschatten.
Ook voor de huisarts is het vervelend als hij steeds mensen moet behandelen die geen patiënt zijn. Als arts ben je toch enigszins verplicht deze mensen te helpen. Buiten zijn werktijden is de arts dan nog bezig met het uitzoeken van gegevens van patiënten om zo goede zorg te kunnen verlenen.
Ook als er iemand bijvoorbeeld een hartaanval krijgt, maar geen huisarts heeft, moet deze persoon geholpen worden. Daar draait een huisarts die geen gegevens over deze patiënt heeft voor op. Dus het kost de huisarts een hele hoop meer tijd, als veel mensen geen vaste huisarts hebben.

Voor hele ernstige gevallen, zoals een hartaanval, kan wel altijd de EHBO worden ingeschakeld. Maar als de EHBO voor niet-spoedeisende zaken wordt ingeschakeld door mensen zonder huisarts, draait het daar overuren. Daar heeft de EHBO het personeel niet voor en voor de maatschappij zijn de kosten veel hoger, wanneer iedereen naar de EHBO gaat i.p.v. naar de huisarts. Verder zal men daar niet voor elke klacht een behandeling hebben, omdat het ‘eerste hulp bij ongevallen’ is. Dus een klacht die al een tijdje bestaat, is niet voor de EHBO.

Het huisartsentekort heeft verder ook grote gevolgen voor de chronisch zieken. De huisarts speelt namelijk een grote rol in hun leven. Hij of zij moet de patiënt om de zoveel tijd nakijken, recepten voorschrijven als de medicijnen op zijn en ga zo maar door. Als dit allemaal wegvalt, moet de chronisch zieke dus andere manieren zoeken om zichzelf te redden. Maar hoe?
Ook de terminale thuiszorg, die een huisarts normaal moet doen, loopt gevaar. Het kost een arts namelijk erg veel tijd om bijv. iemand op z’n sterfbed te begeleiden. Als je dan geen vaste huisarts hebt, heeft geen enkele andere huisarts tijd om jou te begeleiden. Dat houdt in dat dit niet gebeurt en dat is erg vervelend voor de patiënt en zijn familie.

Hoofdstuk 2 Opvattingen en Belangen

In het eerste hoofdstuk zijn al enkele organisaties genoemd die zich bezighouden met het huisartsentekort. In dit hoofdstuk zullen hun opvattingen hierover, hun belangen en hun eventuele oplossingen ervoor besproken worden.

De patiënten
Voorop staan natuurlijk de patiënten zelf. Uit onderzoek is gebleken dat zij niet negatiever oordelen over de kwaliteit van de huisartsenzorg, ondanks dat de druk op deze zorg is toegenomen. Wel moeten zij er meer moeite voor doen om een arts aan de lijn te krijgen of om zelfs een afspraak te maken. Maar iets minder dan de helft van de mensen (48%) krijgt direct de huisarts of een assistent aan de lijn. Een even grote groep moet het vaker dan één keer proberen. Vier procent krijgt helemaal niemand te spreken. Dit komt doordat er wordt geprobeerd de ernstige, zorgbehoevende gevallen te onderscheiden van de minder urgente gevallen, om zo de werkdruk voor de arts lager te houden.

De huisartsen
Als tweede zijn er de huisartsenverenigingen zoals de LHV, de Landelijke Huisartsenvereniging. Zij vinden dat zorg voor iedereen toegankelijk moet zijn en vinden het dus onacceptabel dat mensen deze mogelijk niet meer kunnen krijgen door een tekort aan huisartsen.
Deze vereniging zet zich actief in voor het verbeteren van de situatie en kaart ook eventuele oplossingen aan bij het ministerie van VWS.
Als oplossing zien ze de modernisering van de huisartsenzorg door schaalvergroting, zodat er efficiënter gewerkt kan worden. Huisartsen moeten meer samenwerken met elkaar en met anderen.
Ook willen ze het huisartsenvak aantrekkelijker maken om jonge artsen te stimuleren voor het huisartsenvak te kiezen, zodat de instroom zal worden vergroot. Verder willen ze het voor startende huisartsen gemakkelijker maken door ze meer financieringsmogelijkheden te geven, ze de gelegenheid te geven in deeltijd te werken en ze in contact brengen met andere huisartsen om het werk te kunnen spreiden.
Voor oudere huisartsen die binnen nu en vijf jaar stoppen moet het aantrekkelijker zijn om te blijven werken, omdat men anders 30% van de nu werkende huisartsen kwijtraakt. Deze groep moet dan minder uren krijgen in de avond, nacht en het weekend.

De zorgverzekeraars
Als derde zijn er de zorgverzekeraars, die opdraaien voor alle kosten van de behandelingen die een patiënt ondergaat. Zij draaien dus ook op voor de extra kosten die de inefficiëntie, die ontstaat door het tekort aan huisartsen, met zich meebrengt. Deze inefficiëntie houdt in dat patiënten eerder doorverwezen worden naar een duurdere specialist, om zo de huisarts werk uit handen te nemen. Ook zij hebben er dus belang bij dat er geen tekort aan huisartsen is.
Om dit te bereiken hebben nemen ze zelf ook initiatieven. Sinds 1 januari 2003 is een verbod opgeheven, dat verbood dat zorgverzekeraars zelf huisartsenzorg leveren of deelnemen in instellingen die huisartsenzorg bieden. Daardoor is het nu mogelijk dat zij zelf meehelpen aan oplossingen.
Een voorbeeld van zo’n eigen initiatief is het zorgcentrum dat zorgverzekeraar Geové een tijd geleden heeft opgericht in Groningen. Zo’n centrum kost hen minder geld dan de kosten die meer doorverwijzen met zich meebrengen en het is gunstig voor alle partijen.
Ook worden er een soort van callcentra opgericht door Achmea Zorgverzekeraars om patiënten snel te hulp te kunnen zijn. Aan de telefoon krijgen patiënten een assistent te spreken, die na het doorlopen van een vaste vragenlijst bepaalt of er een dokter bij geroepen moet worden. Dit is een onpersoonlijke manier van handelen en assistenten kunnen de ernst van de situatie over de telefoon niet altijd goed kunnen inschatten, maar na drie maanden bleek dat het spreekuurbezoek was gedaald met 30 tot 40%.
Ook gaven de assistenten na verloop van tijd niet meer in 5% van de gevallen, maar in 30% van de gevallen zorgadvies. Door deze werkverlichting zou een huisarts niet meer 2.350, maar zeker 3.500 patiënten kunnen behandelen.

Op de lange termijn willen de zorgverzekeraars het hele zorgpakket vernieuwen. In dit pakket is de huisarts niet meer inbegrepen, met uitzondering van acute gevallen. Wel kan de huisarts extra bijverzekerd worden.
Het uitgangspunt van het nieuwe pakket is ‘zorg op maat’, waarin de verzekerden zelf kunnen kiezen. Voor een relatief laag bedrag kan men zich verzekeren voor het beperkte basispakket. Vervolgens kan er naar behoefte bijverzekerd worden. Door deze vrije keuze ontstaat er een zorgmarkt met een gereguleerde concurrentie, zodat de premies laag kunnen blijven.

De politieke partijen
De politieke partijen hebben allemaal andere meningen over de beste oplossing.

Volgens Groen Links is het grootste probleem dat werken in de zorg niet meer aantrekkelijk is. Daarom wil ze artsen meer zeggenschap geven over werk en werktijden en meer tijd geven voor patiënten. Verder willen ze graag zorgen voor een salarisverhoging, meer carrièreperspectief zodat het voor studenten niet meer zo aantrekkelijk is om de huisartsenstudie af te breken en iets makkelijkers te gaan doen. Verder wil ze de studiefaciliteiten uitbreiden en voorzieningen zoals kinderopvang regelen, zodat (vrouwelijke) artsen die nu parttime werken, langer kunnen gaan werken. Verder moet het aantal opleidingsplaatsen aangepast worden aan de behoeften. Dat wil zeggen dat er geen stop moet staan op het aantal opleidingsplaatsen, maar dat iedereen die graag huisarts wil worden, daar ook de kans voor krijgt.

De SP vindt dat er snel meer huisartsen moeten komen. Om dat te bereiken wil ze, net zoals Groen Links, geen stop meer hebben op het aantal opleidingsplaatsen, met een sjieke naam ‘numerus fixus’. Om het probleem nog sneller op te kunnen lossen wil ze ook groepspraktijken, verregaande samenwerking en praktijkondersteuning stimuleren. Het is echter niet de bedoeling dat de huisartsenpost verandert in een soort van grootschalig bedrijf, zoals het ziekenhuis, met een maximum van 2000 patiënten per praktijk. De bedoeling is dat de huisarts gemakkelijk bereikbaar en toegankelijk is. Verder wil de SP een volksverzekering invoeren, die alleen het hoognodige vergoedt. De rest kan bijverzekerd worden. Dit zou de administratieve last van de huisartsenpraktijken aanzienlijk moeten verlasten. Uiteindelijk zou het tekort verkleind moeten worden en er meer aandacht moeten komen voor de patiënten.

Het CDA vindt dat werken in de zorg weer aantrekkelijk moeten worden. Dat wil ze bereiken door hogere salarissen en betere arbeidsomstandigheden. Ook wil ze meer artsen en verpleegkundigen opleiden. Er moet extra aandacht en ondersteuning voor het vrijwilligerswerk in de zorg komen, meer geld voor vrijwilligers en extra aandacht voor de vele mantelzorgers. Ook wil ze graag dat er minder bureaucratie komt in de zorg, omdat dat erg veel tijd kost, ze wil dat de zorg persoonsgerichter wordt. Een andere oplossing ziet het CDA in het elektronische patiëntendossier en in de HOED-praktijk

De VVD wil de financiering van de huisartsen flexibel en divers maken, ook moet die financiering patiëntvriendelijk zijn en er moet een motiverende werking van uit gaan.
Ook denkt de VVD dat het een goed idee is als verpleeghuisartsen een verwijsfunctie krijgen zodat de patiënten in een verpleeghuis niet via de huisarts dooverwezen hoeven te worden. Dit kan de huisarts veel tijd besparen.
Het is voor de VVD niet acceptabel dat het tussen partijen afgesproken budget van 68 miljoen euro voor de ANWD in HDS-verband “zomaar kan worden overschreden”. De verantwoordelijkheid hiervoor moet duidelijk gemaakt worden zodat maatregelen mogelijk zijn.

De PvdA zegt goed de beseffen wat voor problemen de huisarts allemaal heeft. Ook zien ze in hoe belangrijk de rol van de huisarts is. Ze willen meer geld beschikbaar stellen om de werkdruk te verlagen. De PvdA is een voorstander van de praktijkondersteuner, die volgens hen heel nuttig kan zijn. Er moet een verkorte opleiding komen tot huisarts voor mensen met een andere medisch achtergrond en er moeten cursussen voor herintreders komen. Ook is ze van mening dat de huisarts zeker in het ziekenfonds moet blijven, omdat mensen ander eerder hun toevlucht nemen tot specialisten, en dat is veel duurder.

De regering
De uiteindelijke oplossing van het probleem, ligt bij de regering, omdat zij degene is die het geld beheert en mag verdelen. De betrokkenheid van politieke partijen in deze kwestie is dus groot. Ook is het de taak van de regering om ervoor te zorgen dat de zorg in Nederland goed geregeld is. Als zij het probleem weet op te lossen, is er natuurlijk ook een grotere kans dat de partijen die zetelen in de regering bij een volgende verkiezing weer gekozen worden.
De andere politieke partijen, die niet in de regering zitten, hebben ook belang bij het verzinnen van een oplossing voor het huisartsentekort. Als zij een goede oplossing bedenken, wil dat zeggen dat ze bij een volgende verkiezing misschien meer kans maken om gekozen te worden door het Nederlandse volk. Ook kan een goede oplossing voor een arts een aanleiding zijn om te stemmen op een bepaalde partij.

Vroeger
Natuurlijk is het ook eens anders geweest en was er geen huisartsentekort. Vroeger was de werkdruk van een huisarts veel lager. Dit kwam vooral doorat hij weinig patiënten hoefde te behandelen. Nu is dat een stuk anders. Door de vergrijzing zijn er de laatste jaren veel meer zorgbehoevende mensen bijgekomen. Ook hebben de ziekenhuizen sommige taken afgestoten door een tekort aan personeel. Al deze taken moeten nu dus door de huisarts worden verricht, terwijl deze het zelf ook al druk heeft.
Ook zijn er minder streekziekenhuizen, zodat de huisarts veel meer EHBO-werk moet doen, omdat het voor de mensen in minder verstedelijkte gebieden minder lang reizen is naar de dichtstbijzijnde huisarts dan naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis.
Daarnaast zorgen de steeds langer wordende wachtlijsten voor een groot probleem. De huisarts moet hierdoor vaak lang bellen en regelen voordat hij een patiënt ergens geplaatst krijgt.
Ook door de toename van psychische klachten verliest de arts veel tijd. Het kost meer tijd om vast te stellen dat iemand last heeft van een echt psychisch probleem dan vast te stellen dat iemand lichamelijk gewond is. Nog geen dertig jaar geleden werden psychische klachten afgedaan als een zwakte van de persoon, en geen ziekte waarbij hulp van buitenaf nodig is. Nu is dat wel zo, maar moet de arts dus meer tijd besteden aan dit soort minder makkelijk te definiëren ziektes.

Voor- en tegenstanders
Het is moeilijk in deze kwestie voor- en tegenstanders aan te wijzen. Dat komt doordat het huisartsentekort voor niemand prettig is. Huisartsen werken er te hard door, verzekeraars moeten teveel uitbetalen door inefficiëntie, de patiënten kunnen moeilijker aan zorg komen en het kost de regering ook teveel geld.
Waar wel verschillen in zijn, is de oplossingen die men ervoor bedenkt. De regering wil niet teveel geld kwijt zijn en gaat dus voor oplossingen op de lange termijn, die misschien niet zo efficiënt zijn. De huisartsen en de patiënten willen echter dat het probleem zo snel mogelijk wordt opgelost. De enige manier waarop dat kan is door veel geld te investeren.

Hoofdstuk 3 Wetten en Beleid/ Besluitvorming

Het beleid vroeger
Omdat er vroeger nog geen sprake was van een huisartsentekort, werd er een numerus fixus ingesteld op de opleiding geneeskunde. Die numerus fixus moest ervoor zorgen dat maar een beperkt aantal studenten aan de opleiding kon beginnen. De overheid was hierdoor minder geld kwijt omdat het een lange en dure opleiding is. Langzaam maar zeker kreeg men door dat er een groot huisartsentekort zou komen en toen dit er was, werden het aantal opleidingsplaatsen fors uitgebreid. In 1995 steeg het van 290 naar 325. Toen dit nog steeds niet genoeg bleek te zijn verhoogden ze het nog eens tot 339 in 1999.

Het huidige beleid
Het huidige beleid is dat er steeds meer opleidingsplaatsen komen. Het huidige aantal opleidingsplaatsen is 473 plaatsen per jaar.
Verder zijn er al enkele voorstellen goedgekeurd, zoals het opleiden van HBO-zorgmasters. Hun functie zal verderop worden uitgelegd. Deze opleiding is nu van start gegaan, zodat er over 4 jaar ongeveer 5000 HBO-zorgmasters zullen zijn om de huisarts bij te staan.
Ook zijn er Avond-, Nacht- en Weekenddienstposten opgericht. Deze posten werken goed. En zowel patiënten als huisartsen zijn er meestal positief over.

Buitenland
Niet alleen in Nederland is het huisartsentekort een probleem. Ook België, Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittannië hebben een huisartsentekort, of krijgen er in de nabije toekomst mee te maken.
In België maken ze zich nu al zorgen over het aantal huisartsen, terwijl er nog geen echt tekort is. Daar mag maar een beperkt aantal studenten na hun studie geneeskunde gaan studeren voor huisarts. Doordat een deel van deze studenten de studie niet halen, tussentijds een minder moeilijke baan zoeken of in het buitenland gaan werken na hun studie, blijven er steeds minder over. Vooral door de leegloop naar het buitenland, waar huisartsen nu een grotere kans hebben op een baan door een al bestaand te kort, verwacht men in de nabije toekomst ook een tekort voor België.
Ook in Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittannië begint men gevolgen van het huisartsentekort aldaar te ondervinden. Doordat deze landen, net zoals Nederland vroeger, het aantal opleidingsplaatsen beperken, begint er ook een tekort te ontstaan.
De Verenigde Staten zijn een geval apart. Zij hebben ook te weinig huisartsen om alle patiënten goed te kunnen behandelen, maar doordat ze een groot deel van de consulten via e-mail afhandelen, kan een arts meer patiënten op een dag helpen, waardoor er minder artsen nodig zijn voor een grotere groep mensen. Maar liefst een kwart van alle huisartsen daar maakt gebruik van deze methode.

De grootste invloed
Een van de belangrijkste invloedhebbende instanties om het huisartsentekort op te lossen zijn natuurlijk de politieke partijen, die als enige het definitieve besluit kunnen maken over een eventuele oplossing. Dan hebben we het over de politieke partijen die nu in de regering zitten, omdat zij de financiële middelen mogen verdelen. Maar zij zijn niet de enige die nadenken over het tekort. Alle partijen willen graag tot een goede oplossing komen, zodat zij her- of gekozen zullen worden bij de volgende verkiezingen. Vanuit dit standpunt kun je stellen dat zij alleen naar een oplossing zoeken uit eigenbelang, en niet omdat zij graag dit moeilijke probleem willen oplossen ten goede van de patiënten.
Maar uiteindelijk wil iedereen hetzelfde: een oplossing van het probleem. De motieven verschillen, maar wat iedereen uiteindelijk wil bereiken is hetzelfde. Ook de huisartsen zouden oplossingen kunnen gebruiken maar zonder (financiële) steun van de overheid komen ze niet zo ver.

Verschillen
Een verschil is wel de manier waarop alle betrokken partijen het willen doen. De huisartsen willen graag dat er veel geld in wordt gestoken zodat het probleem snel word opgelost. De regering echter wil juist zo weinig mogelijk geld geven en gaat voor oplossingen op de langere termijn. Vanuit het oogpunt van de huisartsen is dit inefficiënt, omdat het probleem van nu pas wordt opgelost als er al een veel groter probleem is ontstaan; zogenaamd dweilen met de kraan open. Maar aan de andere kant kan de regering het zich niet veroorloven veel geld uit te geven, omdat ze dan op andere fronten in de problemen komen.

De verdeling van het geld
In de besluitvorming is de macht redelijk democratisch verdeeld. Zowel artsen, patiënten en andere belanghebbenden krijgen de kans om hun mening te laten horen. Het is zelfs zo dat de politiek hen nodig heeft om tot een goede oplossing te komen. Vanuit de politiek alleen kan slechts een oplossing worden bedacht die op papier goed lijkt. Vaak is dit niet de beste, en daarom hebben ook huisartsen en patiënten inspraak.

Problemen met geld
Zoals bij elk maatschappelijk probleem zijn er altijd mensen, instanties of dingen die tegen kunnen zitten. In dit geval zijn er gelukkig geen mensen die willen dat het niet wordt opgelost, omdat het huisartsentekort voor iedereen vervelend is. Wel kunnen zij vanwege financiële redenen tegenzitten. In veel gevallen is het zo dat geld de grote boosdoener is wat betreft hoe snel het probleem wordt opgelost, en óf het wel wordt opgelost. Zo ook in dit geval. Men probeert dit op te lossen door oplossingen te bedenken die nog steeds veel geld kosten, maar waarvan de kosten gespreid kunnen worden over een langere periode.
Wat ook nog tegen kan zitten is een verschil in mening over welke oplossing het beste is. Wat goed is voor de regering, is minder goed voor de huisartsen en andersom. Dat kan nog wel eens problemen veroorzaken.

Hoofdstuk 4 Oplossingen

Algemeen
In 2001 dreigde de LHV met een huisartsenstaking op 15 februari. Ze eisten dat de overheid meer studenten toeliet op de opleidingen medicijnen, dat de praktijkkosten zouden worden vergoed, dat de salarissen, die sinds 1987 niet meer zijn aangepast, stegen en zij vonden dat er een betere financiering voor de avond-, nacht- en weekenddiensten moest komen. Tijdens een spoeddebat kwam naar voren dat de Tweede Kamer het eens was met de eisen van de huisartsen, maar dat deze pas gerealiseerd konden worden, nadat er in april over de Voorjaarsnota was gepraat. Daarmee was de LHV tevreden en stelde de staking uit tot in mei. Op 2, 3 en 4 mei staakten de huisartsen vanwege dezelfde redenen als hierboven zijn aangegeven, ze wilden betere praktijkondersteuning en een hoger salaris voor de huisarts-in-opleiding. Volgens de LHV bleven 90% van alle huisartsenpraktijken die dagen gesloten. Hoewel de patiënten waren ingelicht via advertenties in kranten, waren de patiënten woedend. Ze begrijpen niet dat de artsen hun patiënten zo in de steek konden laten. De patiënten werden doorverwezen naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis, waar duizenden patiënten opgevangen moesten worden. Verder waren er wat huisartsen die bijsprongen wanneer de boel in de ziekenhuizen uit de hand dreigde te lopen.
Nu dreigde er weer een huisartsenstaking te komen op 1 en 2 juli over de tarieven van de avond-, nacht- en weekenddiensten. Maar gelukkig is er een akkoord gesloten en daarmee is de staking af geblazen.
Voor de eerdere wensen van de huisartsen en om het tekort op te lossen zijn er vele oplossingen bedacht. Wij hebben er de zeven belangrijkste uitgelicht.

Meer opleidingsplaatsen
Een van die oplossingen is het verruimen van het aantal plaatsen voor geneeskundestudenten. Ook het aantal opleidingsplaatsen voor huisartsen moet dan verhoogd worden. Zo hoopt de regering dat er meer geneeskundestudenten en huisartsen in opleiding komen. En wanneer dat gebeurt zullen er die 670 huisartsen per jaar extra komen en zal het probleem zo goed als verholpen zijn.
Er is de afgelopen jaren al iets gedaan aan verhogen van het aantal plaatsen, omdat het probleem al was voorzien. Daarom zijn de opleidingsplaatsen voor huisartsen in1995 gestegen van 290 naar 325 en nadat er nog steeds een tekort dreigde is het in 1999 naar 339 verhoogd. Nu is het aantal zelfs opgelopen tot 473 plaatsen per jaar. Ondanks deze voorzorgsmaatregelen, dreigt er nu nog steeds een tekort, want die 670 huisartsen per jaar extra worden niet gehaald. Daarom wil de regering dus nog verder doorgaan met deze verhogingen, maar als er geen kandidaten zijn, worden de plaatsen niet gevuld. Dus moet ook het aantal geneeskundestudenten opgekrikt worden, aangezien zij de toekomstige huisartsen zijn.
Dat wil men dan weer voor elkaar krijgen door meer mensen in staat te stellen de geneeskunde studie te volgen. Het aantal plaatsen is nu 2800 studenten per jaar. Het plan is dit aantal te verhogen. Als dit lukt, zullen er meer studenten per jaar doorstromen naar een opleiding voor huisarts. Het tekort zal zo echter niet helemaal opgelost worden, maar het wordt wel verminderd en het probleem wordt uitgesteld.
Er zitten echter wel wat nadelen aan deze oplossing. Het grootste nadeel is natuurlijk dat het het probleem niet verhelpt, maar daarbij is er te veel geld nodig van de overheid om dit te verwezenlijken. Dit geld is niet op te brengen. En al was het wel te doen, dan nog zou de oplossing met veel problemen gepaard gaan. Een ander probleem is namelijk dat er te weinig stageplaatsen te vinden zijn voor al de afgestudeerde huisartsen die co-schappen moeten lopen. Dus er kunnen dan wel veel afgestudeerde huisartsen zijn, maar zolang zij hun co-schappen niet kunnen lopen, zijn ze nog niet klaar voor het ‘echte werk’. En als laatste zijn er ook niet genoeg leraren en onderwijsruimtes om alle extra leerlingen in te plaatsen.
Kortom heeft deze oplossing meer nadelen dan voordelen en zal dus niet het gewenste resultaat opleveren. Er zal dus naar andere oplossingen moeten worden gezocht.

Praktijkondersteuners
Een tweede oplossing is een praktijkondersteuner. Een praktijkondersteuner heeft een opleiding op HBO-niveau gedaan en werkt in een samenwerkings- verband van minimaal drie huisartsen. Deze praktijkondersteuners houden zich vooral bezig met patiënten met chronische ziektes, zoals diabetes, astma en COPD, patiënten met een hoge bloeddruk en geven consulten over de pil. Het is de bedoeling dat de praktijkondersteuner zijn/ haar eigen spreekuur krijgt, huisbezoeken doet en voorlichting en instructie geeft aan zijn/ haar patiënten.
Een praktijkondersteuner moet een aantal taken van de arts uit handen nemen en zo de werkdruk van de arts verlichten. Ook zou hij de kwaliteit van de zorg moeten verbeteren en er zou doelmatiger en efficiënter gewerkt moeten worden.
De artsen krijgen subsidie wanneer ze een praktijkondersteuner in dienst nemen. Dus nu werkt bijna één op de drie huisartsen met een praktijk ondersteuner en ze zijn er erg blij mee en tevreden over hun werk. Ze hebben het gevoel dat hun werk gemakkelijker wordt en dat de praktijkondersteuner hen werk uit handen neemt. Toch blijkt uit een onderzoek dat maar 6,1% van de taken van de huisartsen wordt overgenomen door praktijkondersteuner en 96% van de mensen ziet hun huisarts nog, terwijl de praktijkondersteuner moet bepalen of het nodig is dat patiënten de arts ook echt te zien krijgen.
Ook de patiënten zijn blij met de praktijkondersteuner. Uit een onderzoek van het Nivel blijkt dat driekwart van de patiënten niet terug zou willen naar de oude situatie.
Door de praktijkondersteuners is de kwaliteit van de zorg verbeterd, vooral bij astma/ COPD-patiënten, hoewel slechts 4% van de astma/ COPD-patiënten door een praktijkondersteuner wordt behandeld. Van de diabetespatiënten neemt de praktijkondersteuner 37% voor zijn/ haar rekening en hij/zij zorgt voor 17% voor mensen met hoge bloeddruk, pil/ anticonceptie en vetstofwisselingsstoornissen.
Natuurlijk zitten ook aan deze oplossing een aantal nadelen. Allereerst lossen meer praktijkondersteuners het huisartsentekort niet op. De praktijkondersteuner neemt te weinig taken op zich om het tekort op te vangen. Volgens onderzoekers is dit deels te wijten aan de grote verschillen in omvang van verschillende huisartsenpraktijken en aan de inzet van de praktijkondersteuner. Ook verschilt het per huisarts hoeveel taken hij/ zij kan laten overnemen door een praktijkondersteuner. Dat ligt aan de huisarts zelf en de praktijkondersteuner, maar ook aan de praktijk en de regio. Hierdoor zijn de taken van de praktijkondersteuner niet goed vastgelegd en er werd dan ook gevreesd dat de ondersteuners eerder taken van de assistent zouden overnemen dan van de arts. Maar er is helemaal niets om te vrezen want praktijken met een praktijkondersteuner hebben juist meer uren assistentie en de assistenten zien per maand gemiddeld meer patiënten.
En als laatste nadeel moet de praktijkondersteuner, zeker in het begin, veel begeleidt worden en dan gaat er ook veel tijd, meer dan verwacht, naar het ontstaan van een goede samenwerkingrelatie tussen huisarts, assistent en praktijkondersteuner.

De HBO-zorgmaster
De derde oplossing is een hele nieuwe studie: de hbo-zorgmaster. Als HBO-zorgmaster volg je een opleiding Physician Assistant (nu nog in Arnhem en Nijmegen) of Advanced Nursing Practice (nu nog alleen in Groningen) tot klinisch arts. Voor het eerst een arts op HBO niveau dus.
Staatsecretaris Nijs (OCV) heeft als eerste de opleidingen in Arhem, Nijmegen en Groningen goedgekeurd en ondertussen zijn er zeven nieuwe verzoeken binnen gekomen om een opleiding te starten. De voorwaarde voor deze goedkeuring was dat de opleidingen aangeboden zullen worden in de regio’s met het meest grote huisartsentekort. Nu zijn er twee van die verzoeken goedgekeurd. Begin 2005 geeft het Capaciteitsorgsaan advies over de beroepen die de zorgmasters gaan uitvoeren. Op basis daarvan besluit minister Nijs of er nog meer opleidingen moeten komen. Per 1 september beginnen ongeveer 205 studenten aan de opleiding ‘Advanced Nurse Practice’. Deze opleiding van 6 jaar kost de overheid in totaal ongeveer € 50.000, vier bachelorjaren van € 5000 per jaar en twee tot tweeëneenhalf jaar masteropleiding, die de overheid € 15.000 per jaar kost. In totaal heeft staatssecretaris Nijs voor de komende twee jaar 11 miljoen euro uitgetrokken voor de ze studie. Ook minister De Geus (VWS) wil een flinke som geld uittrekken voor deze nieuwe studie, namelijk 100 miljoen euro.
Een HBO-zorgmaster is veel goedkoper dan een geneeskunde student, die misschien huisarts wordt. Deze kost namelijk €120.000. En dat zijn alleen nog de basisjaren. Daarna moet de afgestudeerde zich nog drie jaar gaan specialiseren. In totaal duurt deze opleiding negen jaar. Dus duurt een opleiding tot klinisch arts ook nog korter.
Binnen vier jaar kunnen 5000 mensen worden opgeleidt tot arts op HBO niveau. Dit geldt alleen voor de mensen die al een tijdje in de zorg werken zoals assistentes en verpleegkundigen. En de bedoeling is dat zij allemaal in huisartsenpraktijken gaan werken, door eenvoudige medische handelingen over te nemen, de werkdruk van de huisarts te verlichten. Daarmee zou dan de kwaliteit en kwantiteit van de huisartsenzorg toenemen.

De HOED
Een andere mogelijkheid om het huisartsentekort te beperken is de HOED. Dit is een afkorting voor Huisartsen Onder Één Dak. Het idee achter HOED is het huisartsenvak aantrekkelijker te maken. Er zijn namelijk nogal wat artsen die wel bevoegd zijn om te werken, maar nog niet willen beginnen. Het staat hun vaak tegen om een hele praktijk te moeten overnemen en deze in hun eentje te moeten runnen. HOED moet ervoor zorgen dat deze niet-werkende artsen wel gaan werken.
HOED is een samenwerkend verband tussen een aantal huisartsen. Er komen dan een aantal huisartsen, meestal 4 of 5, in één gebouw te zitten. De huisartsen houden hun eigen assistente en hun eigen praktijk, maar doordat ze samen in een gebouw zitten, wordt het werken makkelijker. Als er bijv. een huisarts een half uurtje weg moet, maar hij nog afspraken met patiënten heeft, kan hij deze makkelijker doorsturen naar een andere huisarts, omdat ze in hetzelfde gebouw zitten. Maar als de huisartsen apart zitten, kan hij patiënten niet zomaar doorsturen en gaat er dus heel wat gebel en geregel aan vooraf, voordat hij weg kan. En niet alleen gaat dat sneller, maar ook de administratie gaat sneller, omdat overleg heel makkelijk gaat. De assistentes zitten immers ongeveer naast elkaar. Door samen te zijn, wordt dus ook veel tijd bespaard. Doordat alles sneller en makkelijker gaat, wordt efficiënter gewerkt en dus meer gedaan.
Een ander voordeel is dat er veel in kosten wordt bespaard, omdat veel van de kosten kunnen worden verdeeld onder de artsen. Bijvoorbeeld de kosten voor het onderhouden van het gebouw, de huur van het gebouw en de aanschaf van apparaten. Vooral dat laatste scheelt veel, want het aantal apparaten hoeft niet meer zo groot te zijn, omdat men samen kan doen. Dit is natuurlijk ideaal voor iedereen.
Verder is het ook fijn voor zowel de huisartsen als voor de patiënten dat er weinig verandering optreedt. De huisartsen blijven hun eigen patiënten en eigen assistentes houden. Dus de patiënten hoeven ook niet naar een andere huisarts over te stappen. Alles blijft vertrouwd en er hoeven geen grote aanpassingen gedaan te worden.
Al deze voordelen en het feit dat je geen eigen praktijk hoeft op te starten, maar in een groep terecht komt, dus niet alles alleen hoeft te doen, zorgen ervoor dat het aantrekkelijker wordt voor jonge huisartsen meteen te beginnen met werken.
Als al de niet-werkende, maar wel bevoegde huisartsen dus wél gaan werken, door deze gunstige omstandigheden, zou het huisartsentekort wel eens opgelost kunnen worden.
Helaas zitten er wel een paar grote nadelen aan dit alles. Ten eerste is het voor de huisartsen die zich aansluiten bij een HOED een enorme investering. Er moet namelijk een gebouw gevonden worden, waar alle praktijken inpassen en alles moet worden verhuisd. Dit is een hoop werk en dat terwijl veel huisartsen al veel te weinig tijd hebben.
Voor sommige huisartsen is het ook absoluut geen ‘must’. Zij vinden het solowerken prima gaan en hoeven niet persé dingen te veranderen. Als je dan al die tijd en al dat geld erin moet steken, is dat zeer ongunstig en niet aanlokkelijk. Daarbij zullen sommige patiënten helemaal geen zin hebben in deze verandering. Hoewel de veranderingen vrij gering zijn, zijn ze er natuurlijk wel. Ten eerste moeten alle patiënten ergens anders heen, dit kan voor problemen zorgen, bijv. als de nieuwe praktijk veel verder weg is. En ten tweede wordt het allemaal veel massaler, sommige patiënten zijn misschien wel heel blij met de kleinschaligheid en zien zo’n ‘massapraktijk’ niet zitten.
Als laatste zal deze oplossing het probleem niet helemaal oplossen, want iedere HOED lost alleen het regionale tekort op. Ook zullen nog steeds niet genoeg artsen zijn, ook al worden de niet-werkende artsen actief in het artsenbestaan. Dit is namelijk maar een beperkte groep en lang niet genoeg om alle gaten van missende huisartsen op te vullen.
De overheid heeft twee jaar geleden geld toegezegd aan de huisartsen die een HOED zouden willen opstarten. Ze promoten het idee van de HOED nog steeds, maar dat geld is er nooit gekomen. De overheid is dus heel positief over de HOED, maar is niet van plan iets te betalen.
In sommige gemeentes wordt er veel meer aandacht aan besteed, want zij helpen de artsen bijv. met het zoeken van een geschikt gebouw. Maar er zijn ook gemeentes waar de huisartsen amper steun krijgen. Het verschilt dus heel erg, of de artsen veel hulp krijgen of niet.
Er zijn al een aantal HOED’en opgericht door heel Nederland. De grootste problemen waarmee deze kampen, zijn persoonlijke problemen. De huisartsen hebben vaak moeite om van solo naar een groep te gaan en hebben een beetje aanpassingsproblemen. Dit geldt niet alleen voor de huisartsen, maar ook voor hun assistentes. Voor de rest loopt het over het algemeen goed en is men blij met de resultaten.

Het ouderenbeleid Een vijfde oplossing is een ouderenbeleid. Zoals al eerder is verteld, zullen de komende jaren veel oudere huisartsen stoppen, omdat ze met pensioen gaan. Ook jongere artsen stoppen vervroegd en dit zorgt, zoals ondertussen bekend is, voor een groot tekort in de huisartsensector. Aangezien het probleem dus o.a. ontstaat door te veel oude huisartsen die weggaan, moet er dus voor worden gezorgd dat deze artsen blijven werken. Het idee is daarom een beleid voor huisartsen voor bijvoorbeeld boven de 55 jaar te gaan voeren. Door hun werk lichter te maken, kunnen ze langer doorwerken. Dus wordt er voor gezorgd dat ze minder werkuren hoeven te maken en dat ze geen ANW-diensten meer hoeven te doen. Zo wordt het werk inderdaad lichter. Om ervoor te zorgen dat de artsen boven de 55 jaar nog wel dingen te doen hebben, kunnen zij uitstekend gebruikt worden als leraren. Zij hebben namelijk zeer veel ervaring en zijn dus een ideale leraar. Daarom kunnen huisartsen-in-opleiding goed stage bij hen lopen en zo bekend raken met het huisartsenvak. Ook kunnen de ouderen, nieuwe huisartsen inwerken. Dit is erg handig, omdat dit dan niet nog als extra taak bij ‘normale’ huisartsen komt en de nieuwelingen wel worden ingewerkt.
Een nadeel aan dit beleid is echter dat het veel geld kost, want de diensten die de oudere artsen niet meer draaien, moeten wel gedaan en betaald worden. Je zou kunnen zeggen dat dat geld ingehouden kan worden op het salaris van de ‘oude’ artsen, maar aangezien die artsen nu andere taken hebben, kan er maar erg weinig van hun salaris af. Toch moeten de dienstdoende artsen betaald worden en dat moet dus van het geld van de overheid. De overheid stimuleert ook het ouderenbeleid, al hebben ze hier geen geld voor vrijgemaakt. Ze vinden het een goed idee. Maar omdat de huisartsen alles dus zelf moeten financieren, komt de uitvoering van het plan niet echt van de grond. Het beleid is dus meer een idee, maar als er geen geld van de overheid komt, zal het niet uitgevoerd gaan worden.

De huisartsenposten
Een zesde oplossing zijn de huisartsenposten. Dat is een speciaal voor spoedeisende huisartsenhulp ingerichte post. Het is de bedoeling dat hier tijdens de avond, nacht, het weekend, feestdagen en vakanties een aantal huisartsen zitten om mensen die spoedeisende huisartsenhulp nodig hebben op te vangen.
Vroeger moest de huisarts zelf open zijn als huisartsenpost. Maar door middel van samenwerking hoeft de huisarts hier minder tijd in te steken en zo verlaagt zijn/ haar werkdruk.
Een patiënt moet nu, als hij of zij medische zorg nodig heeft buiten de kantooruren van de huisarts, de huisartsenpost bellen. De patiënten die bellen naar een huisartsenpost zijn positief, 90% procent van de bellers krijgt binnen vijf minuten iemand aan de lijn die hen vriendelijk te woord staat, blijkt uit een onderzoek van de Consumentenbond. Uit een rapport van de Inspectie voor de Gezondheidszorg blijkt echter dat de telefonische bereikbaarheid van de huisartsenposten helemaal niet zo goed is. Volgens dit rapport moeten de consumenten vaak meerdere keren bellen en moeten zij lang wachten voor dat ze iemand aan de lijn krijgen.
Als mensen de huisartsenpost bellen krijgen ze eerst een assistent aan de lijn. Die assistent handelt dan de meeste klachten (94%) telefonisch af. Vaak worden de patiënten uitgenodigd om naar de huisartsenpost te komen (59%), en soms krijgen ze een huisarts aan de lijn of komt deze bij de patiënt op bezoek (6 en 9%). Maar de consumenten vinden niet dat een assistent de klachten moet afhandelen (67%) en dat zij door de telefoon kan bepalen, of iemand een arts mag spreken (72%). Ook zijn er veel klachten over de adviezen en uitleg die de assistentes geven. Eenderde van de bellers vindt het advies dat ze geeft onnuttig en/ of onbetrouwbaar, 20% vindt het advies niet uitvoerbaar en 13% procent vindt het advies onduidelijk. Bij elkaar was dus ongeveer 40% procent van de bellers niet (helemaal) tevreden over het advies van de assistente. Toch krijgt zij als eindcijfer van de consumentenbond een 6,6.
Alleen wanneer de toestand echt een spoedgeval is komt een huisarts langs. Het lukt maar één op de tien huisartsen om binnen een kwartier bij hun patiënt te zijn. Ook de patiënten moeten er zo lang overdoen om bij een huisartsenpost te komen en dat vinden ze te lang. In de wachtkamer daarentegen wordt de helft van de patiënten binnen tien minuten geholpen en maar 11% procent moet langer dan een kwartier wachten. Als je dit vergelijkt met het normale inloopspreekuur van de huisarts hoeven de patiënten nu minder lang te wachten. Bij een inloopspreekuur wordt namelijk maar 30% binnen een kwartier geholpen en zelfs 19% procent moet daar een halfuur tot een uur wachten.
Een ander nadeel van de huisartsenposten is dat de tarieven voor een (telefonisch) consult daar heel erg uiteen lopen. De prijzen voor telefonisch consult lopen uiteen nu van €20,70 tot €62,50. Volgens het CTG (College Tarieven Gezondheidszorg) komen deze verschillen door ‘de omvang van het verzorgingsgebied, de prijs van het pand en de uitrusting van de huisartsenposten’. Het CTG ontving hierover veel klachten van patiënten en heeft daarom besloten dat de prijs voor een telefonisch consult overal in het land voortaan €25,- zal zijn.

De e-maildokter
Volgens het Nationaal Platform E-Health is een zevende oplossing om de dokter consulten per e-mail te laten geven. Zij menen dat als een huisarts 15% van de consulten afhandelt per e-mail, het huisartsen tekort is opgelost. Deze oplossing is volgens hen ideaal want het is een realistische optie en hij kan snel landelijk ingevoerd worden.
Het platform heeft geëxperimenteerd in Rotterdam en volgens hen kan er 168 miljoen euro per jaar bespaard worden, omdat een e-mailconsult veel minder tijd van de arts vraagt. Ook zou deze oplossing beter aansluiten bij de behoeften van steeds meer Nederlanders. Het is natuurlijk een moderne oplossing, maar ook als de patiënt weinig tijd heeft kan hij even een mailtje sturen. Wat veel minder tijd kost dan een heel huisartsen bezoek. Dat is ook fijn voor de patiënt. Uit het onderzoek van de RVZ (Raad voor de Volksgezondheid en Zorg) van 2 september blijkt dat 75 procent van de internetgebruikers in 40 procent van de gevallen minder vaak op het spreekuur van de huisarts zal komen als zij via de e-mail contact met hun huisarts zullen hebben.
De digitale arts is al in werking, op de site www.emaildokter.nl geeft huisarts dr. Robert Mol consulten via e-mail; voor €12,-. Hij is de eerste emaildokter in Nederland. Samen met professor René Kahn is hij op het idee gekomen. Hun bedoeling is om de arts niet alleen via e-mail (en telefoon) consulten te laten geven maar ook met de webcam, zodat de arts goed kan zien wat er met de patiënt aan de hand is, iets wat met een e-mail (en telefoon) niet (zo goed) kan, omdat de beschrijving van de patiënten nooit helemaal kan kloppen. Dat is ook een groot nadeel aan deze oplossing: dat de arts via e-mail niet goed kan bepalen wat er precies met de patiënt aan de hand is. Zo kan de arts misschien verkeerde diagnoses stellen en/ of moet de patiënt alsnog naar de praktijk komen om zich te laten onderzoeken, omdat de arts niet weet wat er precies aan de hand is. Dan moet de patiënt twee consulten betalen: een e-mailconsult en een ‘gewoon’ consult. Maar als de arts nu ook met de webcam gaat werken is dit probleem opgelost.
Een ander nadeel aan deze oplossing is dat iemand op een e-mail adres van iemand anders een consult kan aanvragen en dan mag de eigenaar van het adres betalen voor het consult van iemand anders. Ook zeggen de tegenstanders dat het internet niet helemaal veilig is: iedereen kan via het internet meekijken en bovendien kan het internet voor veel problemen zorgen qua virussen enz. Maar volgens Mol en Kahn is hun site heel erg goed beveiligd met wachtwoorden dus hoeft dat ook geen probleem te zijn.
Volgens Kahn en Mol is het een groot voordeel voor de arts dat hij op zijn spreekuur weet wie en met welke ziekte hij te maken krijgt, wanneer hij de patiënten per e-mail vraagt om langs te komen. Zo zou hij zijn tijd goed in kunnen plannen en efficiënter kunnen werken.
Ook zou er zo volgens hen een uitwisseling tussen verschillende specialisten kunnen ontstaan die raad aan elkaar kunnen vragen en patiënten aan elkaar kunnen doorverwijzen. Ook dan weet de arts wat hem te wachten staat als hij een patiënt van een andere dokter krijgt.
Tot slot zouden de patiënten in een e-mail misschien opener durven zijn, omdat zij de arts niet in de ogen hoeven te kijken en zo misschien makkelijk durven te vertellen wat hen dwarszit.

Hoofdstuk 5 Eigen Mening/ Slotconclusie

Onze oplossingen
Wij vinden dat de het probleem kan worden opgelost als de regering niet teveel op het geld gaat kijken. Het zal haar dan wel veel geld in één keer kosten, maar uiteindelijk denken wij dat ze minder geld zal hoeven investeren in het bedenken van kostenbesparende oplossingen (waarbij de bedenkers betaald moeten worden), en dat het probleem dan sneller opgelost zal worden.
De overheid moet investeren in dingen die het voor al werkende huisartsen gemakkelijker en aantrekkelijker maakt om te blijven werken of meer te gaan werken. Hierbij moet men denken aan kinderopvang, zodat (vrouwelijke) huisartsen die nu parttime werken, misschien een volledige baan kunnen nemen en geen Avond-, Nacht- en Weekenddiensten voor oudere huisartsen.
De oplossingen moeten snel uitvoerbaar zijn maar ook op de lange termijn
werken.

Er moeten voor studenten meer opleidingsplaatsen komen die voldoen aan de behoefte van de studenten om huisarts te worden. Het moet niet meer zo zijn dat iemand geen huisarts meer kan worden door een gebrek aan studieplaatsen.
Studenten geneeskunde moeten gestimuleerd worden voor het huisartsenvak te kiezen. Nu kiezen studenten vaak voor een andere specialisatie omdat ze dan in de toekomst meer kunnen gaan verdienen. Wij vinden dat dat geen motief meer moet kunnen zijn om voor een andere studie te kiezen en vinden dat studenten meer toekomstperspectief moeten krijgen als ze huisarts willen worden.

Op de langere termijn lijken HBO zorgmasters en praktijkondersteuners ons een goed idee. Zij kunnen huisartsen een groot gedeelte van het routinewerk uit handen nemen, zodat de laatstgenoemden meer tijd kunnen besteden aan urgente gevallen. Uit cijfers is wel gebleken dat ze tot nu toe de huisarts weinig werk uit handen nemen, maar wij denken dat dat te wijten is aan opstartproblemen. We verwachten dat deze mensen over een paar jaar efficiënter kunnen werken, zodat het wel voordeel heeft.

In grotere steden zouden samenwerkingsverbanden zoals HOED en ANW gestimuleerd moeten worden en subsidie krijgen. Daar wonen immers veel mensen redelijk dicht bij elkaar, en zorgt het dus niet voor bereikbaarheidsproblemen als er meerdere huisartsen bij elkaar zitten. Zo kunnen zij efficiënter werken en meer mensen behandelen.

Wij hebben onze twijfels over een oplossing als de e-mailconsult. Net zoals bij het telefonisch spreekuur denken wij dat een arts nooit goed een klacht kan beoordelen zonder de patiënt daadwerkelijk voor zich te hebben. Deze oplossing zal wel voor tijdsbesparing zorgen en misschien zullen mensen ook opener zijn als ze de huisarts niet aan hoeven te kijken, maar de medische fouten die ermee gemaakt kunnen worden wegen daar niet tegen op.
Ook als er gebruik wordt gemaakt van een webcam denken wij dat het nooit goed zal werken. Een huisarts kan geen psychische klachten kunnen beoordelen door een patiënt alleen via een klein beeldscherm te zien. Ook trekken wij de betrouwbaarheid van de webcam in twijfel. Het is relatief eenvoudig om via andermans webcam mee te kijken. Dit zal de privacy van patiënten in gevaar brengen.

Voor kleine kwalen waarvoor veel mensen nu naar de huisarts gaan, zoals griep, moet het mogelijk zijn informatie op internet te vinden zodat de huisarts niet meer nodig is om de patiënt alleen te vertellen dat het over 3 dagen weer over zal zijn. Het is dan wel belangrijk dat deze informatie goed en betrouwbaar is en dat mensen gewezen worden op verschijnselen die kunnen wijzen op een ernstigere ziekte, waarbij de huisarts wel noodzakelijk is.

De macht
De twee grootste groepen die bij dit probleem veel macht hebben, zijn de artsen en de overheid. De artsen hebben hun macht gebruikt om te gaan staken. Dit vinden wij aan de ene kant heel begrijpelijk, want de huisartsen hebben het erg druk en krijgen niet veel steun van de overheid. Het was dus wel noodzakelijk om er iets aan te doen. Een staking lijkt dan het beste, want zo worden hun wensen heel duidelijk, doordat zo’n staking een grote impact heeft. Maar aan de andere kant is het voor de patiënten heel vervelend, want ze zitten dan een aantal dagen zonder huisarts. Hun woede is dan ook begrijpelijk en ook het feit dat ze zich in de steek gelaten voelen, begrijpen wij helemaal. Het is niet juist van de artsen om hun patiënten te laten zitten, want het is aan hen de taak hen te helpen. Toch hadden de huisartsen weinig keus, aangezien de overheid niet wilde luisteren. Uiteindelijk is het allemaal goed gekomen en werken de huisartsen weer gewoon, dus erg veel overlast is er niet meer van die staking.
De andere groep, de overheid, gebruikt hun macht volgens ons wel verkeerd. Ze roepen wel dat ze willen helpen, maar komen pas echt in actie als de huisartsen staken. Ook het feit dat ze eerst geld hadden beloofd, maar dat weer teruggetrokken hebben, vinden we belachelijk. Als zij écht willen helpen, zullen ze de huisartsen ook financieel moeten steunen. Het gaat tenslotte om de gezondheid van de bevolking en dat lijkt ons belangrijk genoeg om veel geld aan uit te geven. Helaas heeft de bevolking weinig macht over de overheid en kunnen zij hen niet dwingen te betalen. Daarom gebruikt de overheid hun macht verkeerd, want het is hun verplichting de bevolking te helpen.

Actiemiddelen
Een redelijk effectief middel dat al vaker is ingezet is (dreigen met) staken. Voor zover wij weten is er één keer daadwerkelijk een staking geweest en hebben huisartsen er al verschillende malen mee gedreigd. Dat deden zij om het probleem onder de aandacht van de politiek te brengen en om bepaalde eisen, zoals salarisverhoging, doorgevoerd te krijgen.
Maar niet alleen de huisartsen hoeven te staken. Het zou goed zijn als de gedupeerde mensen zonder huisarts ook zouden gaan protesteren. Dat zou de regering moeten laten beseffen hoeveel mensen nu eigenlijk zonder huisarts zitten.
Verder zouden wij ook zelf oplossingen naar het ministerie kunnen sturen. Waarschijnlijk zal dat zich er weinig van aantrekken, maar zolanger maar genoeg verzoeken om hetzelfde binnenkomen zal het er toch iets mee moeten doen.

De politieke partijen
De meeste politieke partijen hebben wel in hun programma staan dat ze het probleem willen oplossen, maar hoe staat er niet bij. LPF, D66, SGP/CU hebben helemaal niets over het huisartsentekort op hun site of in hun programma staan. Ook antwoorden de meeste partijen niet op de mailtjes die we hen stuurden. Alleen CDA en Groen Links stuurden een beleefde (standaard)mail terug.
Wij vinden verder dat de PvdA een goede instelling heeft over het huisartsentekort. Zij zegt als enige partij echt duidelijk dat er geld beschikbaar gesteld moet worden. Het idee van de verkorte opleiding en de herintredingscursussen vinden we heel goed. Ook zijn we het met de PvdA eens dat de huisarts absoluut niet uit het ziekenfonds moet verdwijnen, zoals de SP voorstelt. Dit levert alleen maar grotere problemen op omdat mensen dan eerder naar de specialist gaan, wat weer meer geld kost. Ook Groen Links geeft volgens ons goede oplossingen.

De gevolgen van onze oplossingen
Als het huisartsentekort opgelost zal zijn op de manieren waarop wij denken dat het moet, zullen huisartsen efficiënter werken. Ook zullen zij ondersteuning krijgen van diverse mensen zoals HBO-zorgmasters en praktijkondersteuners.
Verder zullen de arbeidsomstandigheden van de nu werkende huisartsen verbeterd worden en zal het voor studenten aantrekkelijker worden om huisarts te worden. Dat zal er voor moeten zorgen dat meer mensen huisarts worden en ook langer blijven werken.
De patiënten zullen niet meer zonder huisarts hoeven blijven zitten. Ook zullen zij minder lang hoeven wachten totdat zij geholpen kunnen worden doordat er sneller gewerkt wordt. Dit zal ervoor zorgen dat minder mensen naar de EHBO-posten gaan omdat zij niet bij de huisarts terecht kunnen.
Onze oplossingen kosten de regering een hoop geld wat misschien voor problemen zal gaan zorgen, maar uiteindelijk zal het zich allemaal terugbetalen door een beter werkende huisartsenzorg en minder weggegooid geld aan niet-uitvoerbare oplossingen.
Bronvermelding

Dhr. E.A.A. Robben docent Geschiedenis en Maatschappijleer
Pleincollege van Maerlant

Dhr. MJA van Dooren huisarts in Veldhoven

Handleiding praktische opdracht Maatschappijleer VWO