Selecteer een pagina

Opdracht 1: Samenvatting
Maarten Klein is een man van 71 jaar. Hij woont met zijn vrouw Vera in Glocester, aan de kust van de Verenigde Staten. Maarten wordt steeds meer vergeetachtig.
Hij merkt dat hij hardop tegen zichzelf praat. Zijn gedachten dwalen vaak af naar gebeurtenissen uit het verleden, vooral uit zijn jeugd, uit de Tweede Wereldoorlog en uit de tijd dat hij op kantoor (IMCO) werkte. Soms roepen de herinneringen handelingen op waarvan hij zich niet bewust is.
De symptomen van Maartens dementie worden duidelijker en heviger. Nadat zijn gedachten afdwalen naar gebeurtenissen uit zijn jeugd, komt hij weer in de ‘normale wereld’. Hij realiseert zich dan dat hij niet helemaal meer meester is over zichzelf. Hij moet zinnen soms eerst vanuit het Nederlands in het Engels vertalen, voordat hij ze kan uitspreken. Hij merkt dat hij steeds vaker kiest voor eenvoudigere grammatica. Daarnaast heeft hij moeite met het benoemen van voorwerpen.
Steeds meer vermengt Maarten zijn verleden met het dagelijkse leven. Hij verwart Vera met zijn moeder en zijn huis met dat van zijn grootouders, of zelfs met het kantoor van de IMCO. Wat zijn vrouw hem het ene moment vertelt, kan hij direct daarna weer vergeten zijn. Omdat zijn toestand steeds verder afneemt, komt de gezinshulp Phil Taylor inwonen om op Maarten te letten. Maarten vergeet steeds wie zij is en wat zij bij hem thuis komt doen. Hij verwart haar met zijn pianolerares van vroeger of met (een vriendin van) zijn dochter.
Op een keer, nadat hij wakker is geworden na een kalmeringsinjectie van de dokter, gaat hij naar de woonkamer en kijkt naar buiten door het raam. Daar ziet hij echter een kamer ‘zweven’ en de man in die kamer kijkt hem recht aan. Hij herkent zichzelf niet. Hij kijkt in het fotoalbum dat op tafel ligt en ziet dat daar dezelfde man afgebeeld is. Dan maakt hij de open haard aan en verbrandt de foto’s uit het fotoalbum. Dan komen Vera en Phil beneden en binden hem op een stoel vast. Ook hen herkent hij niet meer. Dan wordt hij in een ziekenwagen naar een verpleegtehuis gebracht. Er dringen nog maar flarden van tekst tot Maarten door. Zijn wereld is gekrompen tot zijn onsamenhangende gedachten.

Opdracht 2:
a.) In dit boek heeft de hoofdpersoon genaamd Maarten een bijzonder sterke band met zijn vrouw, Vera. Zij kennen elkaar al meer dan 40 jaar en hebben samen heel veel meegemaakt. Zo zijn ze samen heelhuids door de oorlog gekomen, wat natuurlijk op zich al een sterke band creëert wegens het onzekere leven wat men toen leidde. In die periode heeft zich ook verschillende dingen afgespeeld die ze beiden nog haarscherp kunnen herinneren, zelfs Maarten tijdens zijn dementerende periode. Hij zat weer eens vast en herkende de foto’s in het fotoboek niet meer, tot hij ineens terugdacht aan de oorlog. Hij vertelde over de verscheurende honger die zij leden in die tijd. Toen pas wist je hoe échte honger voelde. Op een avond had Vera een heerlijke soep bereidt. Jammer genoeg brak er een glas waarvan de scherven in de pan vielen. Hierdoor is het eten van de soep een doodsvonnis geworden, gezien de inwendige bloedingen die met behulp van deze scherven kan ontstaan. Vera had echter zo’n honger dat zij bereidt was het risico te nemen, maar dan wel eerst de soep uit te filteren. Maarten heeft haar gelukkig tot haar zinnen gebracht waardoor ze er toch maar vanaf zag.
Dit voorval toont aan hoe sterk ze om elkaar gaven. Natuurlijk wilde Maarten dat haar honger gestild zou worden, maar het idee van Vera bracht te veel risico met zich mee. Hij heeft haar in principe gered van de dood, en bovendien had hij haar van het dilemma verlost door zelf de beslissing te nemen de soep door de gootsteen te gieten.
Daarnaast heeft zij ook vele voor hem opgeofferd. In dit boek lees je namelijk de periode waarin Maarten dement begint te worden. Zij doet haar uiterste best om hem te helpen en te beschermen. Zo is ze na enkele moeilijke dagen naar de dokter gegaan om te praten over zijn toestand. Op de dagen die daarop volgden bracht zij zijn tips en aanwijzingen zo veel mogelijk toe. Ze ging met hem foto’s kijken, bleef veel in zijn buurt, maar toen ze wegging heeft ze een paar fouten gemaakt. Ze had hem opgesloten in huis zodat hij niet kon weglopen, maar hun hond, Robbert, zat buiten in de sneeuw en wilde naar binnen. Toen heeft hij een stoelpoot door de ruit geslagen om hem naar binnen te laten. Toen ze thuiskwam had ze meteen een kennis opgebeld om het raam te repareren, heeft ze de dokter uitgenodigd en een paar dagen daarna nam ze een hulp in huis. Ze deed dus haar uiterste best om hem thuis te houden en voor hem te zorgen, zelf toen hij een gevaar werd voor zichzelf en anderen. Op het einde van het boek wordt het echter zo erg dat ze er niet meer omheen kon en liet ze hem opnemen in het verzorgingstehuis. Ze heeft hem dus zo lang mogelijk onder haar hoede gehouden, wat een blijk is van pure liefde.
b.) Het meest waardevolle aspect van hun relatie is dat ze zoveel samen hebben meegemaakt. Zij zijn een typisch voorbeeld van samen oud worden. Zoals ik al zei hebben ze samen de oorlog meegemaakt, wat volgens mij een sterke band oproept. Het leven toen was zeer onzeker en je leefde van dag tot dag. Al meer dan 40 jaar gaan ze met elkaar om. De laatste jaren worden ze iedere dag samen wakker, brengen de dag met elkaar door en gaan ze samen weer naar bed. Ook het fotoboek wat Maarten door moest nemen van de dokter stond vol met foto’s van hem, Vera en hun kinderen. Vera wist nog haarscherp wat op iedere foto precies afgebeeld stond, wat ze deden, met wie ze waren, waar ze waren en ga zo maar door. Hierdoor was zij uitermate geschikt om met hem de foto’s te bekijken, omdat zij in kon vallen als hij het zich niet meer herinnerde. Ook kon ze hem helpen dingen te herinneren, en als hij dacht het te weten kon hij het tegen haar zeggen. Daarom is de tijd het belangrijkste aspect van hun relatie: ze kennen elkaar door en door.
c.) De eigenschap die hun relatie verstoorde was dat Maarten dement begon te worden. Hierdoor vergat hij dingen die zij samen hebben meegemaakt, en herinnerde zich details die zij zich niet meer kon herinneren. Stel je eens voor dat je meer dan 40 jaar met één persoon doorbrengt, maar deze vergeet wat jullie samen hebben meegemaakt. Zeker zaken als reizen naar het buitenland. Soms haalde hij ook tijden door elkaar. Zoals de keer dat hij vroeg wanneer de kinderen weer eens langskomen, terwijl zij zelf al jaren geleden naar de Verenigde Staten waren verhuisd. Of al die keren dat hij dacht dat ze nog in oorlog waren met Duitsland. Toen dokter Eardly binnenkwam (de Amerikaanse huisarts) dacht hij dat de dokter een Amerikaanse generaal was in burger, die onderdak zocht. Maarten bood hem aan om de logeerkamer te gebruiken waar op dat moment de huishulp Phil verbleef, wat hij vergeten was.
Vera voelde zich door deze voorvallen natuurlijk gekwetst, al weet ze dat haar man er niks aan kan doen. Toch schaadt het niet hun relatie: ze zijn nog steeds verliefd op elkaar. Maar toch verandert de manier waarop ze met elkaar omgaan. Zo walgde hij ervan toen Vera hem een kusje gaf. Hij reageerde hetzelfde als een kind die afstand wil nemen van zijn moeder en dus geen uiting van haar liefde meer accepteert. Dit wordt veroorzaakt door de dementie: hij zweeft door de verschillende lagen van tijd wat hij toepast op het heden. Hij voelde zich een kind, dacht dat hij in de oorlog leefde, geloofde dat zijn vader nog steeds in leven was. En dit alles bleek uit zijn manier van reageren op de wereld om hem heen.
d.) Ik zou juist erg graag een dergelijke band zoals Maarten en Vera hadden met iemand willen hebben. Zij kennen elkaar namelijk door dik en dun, leven al meer dan 40 jaar samen en geven immens veel om elkaar.
Toch was er een negatief aspect in hun relatie: Maarten is ooit vreemdgegaan tijdens een reis naar Frankrijk. Daar had hij een Française ontmoet waarmee hij amper kon communiceren. Het ging hen alleen maar om de seks. Na de vakantie hebben ze ook geen contact met elkaar gehouden en hij is nooit meer vreemdgegaan. Dat zou ik anders willen hebben zien.
Maar aan de andere kant, het ging hem dus puur om de seks. Daardoor is alles oppervlakkig gebleven en dus stelde de relatie eigenlijk niet veel voor: het had geen diepere betekenis. Met Vera echter wel, daarmee kon hij goed praten, hebben samen veel meegemaakt en hebben dieper gewortelde gevoelens voor elkaar. Bovendien wijst het houden van geen contact ernaar dat er voor de rest niks achterzat. Natuurlijk werd hij nu nieuwsgierig hoe het nu met haar zou zijn, maar verder zat er niets achter. Vera betekende meer voor hem.

Opdracht 3:

Recensie:

Schrijver Bernlef, J.
Titel Hersenschimmen
Jaar van uitgave 1984
Bron Vrij Nederland
Publicatiedatum 22-09-1984
Recensent Jacques Kruithof
Recensietitel : Uitdovend bewustzijn. Bernlefs roman over de langzame ouderdom.

In april 1968 werd in Drouwenerzand het achttiende congres voor neerlandici gehouden, met als thema: de toekomst van de roman. Een van de sprekers was J. Bernlef. Hij weidde uit over het schrijverschap, de moderne literatuur, de herinnering gezien als fotoalbum of als hologram, de ‘stream of consciousness’ en ‘taal als een grof schema, een schabloon dat wij op de werkelijkheid leggen en waarmee wij haar denken te vangen’. Tegen het slot van zijn lezing citeerde Bernlef een opmerking van Julio Cortázar: ‘wat is het nut van de schrijver anders dan het vernietigen van de literatuur’. Via de overweging dat ‘uit die vernietiging nieuwe vormen, nieuwe boeken kunnen worden geboren’, kwam de auteur hij zijn slotpassage: ‘hoe kan ik mijn eigen hersens vernietigen? Makkelijk genoeg, dacht de schrijver. Maar dan komt er ook nooit meer een boek van me uit. Hij besloot dat het (nieuwe) boek over een dode zou gaan en dat het zou heten: De, verdwijning van Kim Miller. Het boek zou beginnen met haar dood. Dan haar begrafenis. Daarna zou haar werkelijke verdwijning beginnen. De verdwijning uit archieven, van verjaardagskalenders, foto’s die zoekraakten, brieven die gelijk met een oud bureau verkocht werden, gedachten die langzaam nevelig werden, van oude mensen die aan aderverkalking leden…’ Deze oude voordracht is niet alleen een interessant commentaar van de schrijver op zijn werk en werkwijze. Het stuk laat zich ook lezen als de kiemcel van Bernlefs nieuwe roman Hersenschimmen. Hoofdpersoon van dit bijzondere boek is Maarten Klein, ruim zeventig laar oud, Nederlander, maar al vijftien jaar woonachtig in de Verenigde Staten, in een kustplaats nabij Boston. Als gepensioneerd functionaris van een internationale visserij-organisatie is hij in zijn dienstwoning blijven hangen, samen met zijn vrouw Vera. Het verhaal speelt in een winter, rond 1982, in een sneeuwlandschap dat meer is dan uitsluitend decor. Maarten Klein lijdt aan een ziekte die, geloof ik, seniele dementie heet: een globale teruggang van waarneming en geheugen, of, zoals de encyclopedie zegt: ‘een totale persoonlijkheidsregressie’, in de wandeling ‘kindsheid’ genoemd. Zijn gedrag, dat aanvankelijk nog aan verstrooidheid of gewone ouderdomsslijtage geweten kan worden, neemt voor zijn omgeving steeds vreemdere vormen aan: onverklaarbare opmerkingen, onopgehelderd wegblijven na een wandeling, plotseling verdwijnen. Geleidelijk begint Klein heden en verleden te verwarren, denkt hij nog naar kantoor te moeten, spreekt hij over zijn sinds lang gestorven vader alsof de man nog leeft, enzovoorts, en het kan niet uitblijven dat hij na verloop van tijd zijn vrouw met ‘moeder’ gaat aanspreken. Eerst probeert Vera hem nog te bereiken, dan wordt natuurlijk de huisarts erbij gehaald – die onder meer met het fotoalbum op tafel Kleins gesteldheid onderzoekt -, naderhand komt er een meisje als gezinshulp in huis. Klein verwart haar met een jeugdliefde en met zijn dochter, en kan haar naam niet onthouden. Het draait er vanzelfsprekend op uit dat hij naar een inrichting gebracht wordt; daar eindigt de roman. Is dit al een opzet waarmee een schrijver het zich lastig maakt, Bernlef laat zijn ongemakkelijke hoofdfiguur ook nog in de eerste persoon zelf aan het woord. Het boek is in de tegenwoordige tijd gesteld: geen verslag achteraf, dat voor de lezer een gunstige wending suggereert, maar een soort bewustzijnsstroom die onafwendbaar op de desintegratie van het ‘vertellende’ bewustzijn afkoerst. Dat betekent voor de lezer een benauwende opsluiting, te vergelijken met Kafka’s Verwandlung, of het verhaal De huidaandoening van Jacques Hamelink (uit De rudimentaire mens). Voor de schrijver lijkt het me een heksentoer, en een meesterproef op het stuk van inleving. 1) Hersenschimmen heeft een ongebruikelijk korte flaptekst van drie regels, waar toch te veel in staat. – 2) Het woord dementie had er niet moeten vallen: het geeft jammer genoeg de conclusie voordat de lezer die uit het samenstel van signalen in het begin van het boek heeft kunnen trekken. In het vervolg wordt de ‘diagnose’ bevestigd door de ogenschijnlijk losse opbouw, en door de verbrokkeling van Kleins taal tegen het einde van de roman. Bovendien heeft de lezer de gelegenheid zijn onbetrouwbare verteller te controleren: Klein vangt flarden op van gesprekken die Vera voert met een vriendin, de dokter en het meisje dat komt oppassen. Deze kunstgreep, door Marcellus Emants al toegepast in Een nagelaten bekentenis, helpt de lezer aan coördinaten buiten Maarten Kleins inadequate bewustzijn. Coherentie. 3) Aan de andere kant maakt het gekozen perspectief duidelijk dat ‘inadequaat’ niet bepaald het juiste woord is voor wat er in de hoofdpersoon omgaat. Het is een uitdovend bewustzijn, dat zijn greep op het heden verliest, namen en woorden kwijtraakt, maar waarin nog heel lang een particuliere samenhang zichtbaar blijft: de coherentie van herinneringen, nooit vertelde voorvallen, associaties en aldoor vluchtiger indrukken. Waar de banden van besef en taal tussen het ik en de buitenwereld allengs worden doorgesneden, resteert een hulpeloze introversie, die in het dagelijkse leven onbruikbaar, maar daarom nog geen volstrekte chaos is. Uiteraard bedoel ik dit niet als een karakteristiek van Kleins soort dementie, net zo min als Bernlef zijn Hersenschimmen zal hebben aangevat als een medisch verantwoorde tekening van seniliteit. Het zou me trouwens verbazen indien er een arts te vinden was, die een dergelijke patiënt van binnen uit kan portretteren: dat is óók het voorrecht en het nut van de schrijver. Deze roman is allereerst een product van de verbeelding, een studie in het uiteenvallen van realiteitsbesef, in onthechting, en tevens door het contrast ma het ‘normale’ functioneren van de lezer, een studie naar onze verhouding tot de tijd, de dingen, de mensen om ons heen, en naar de taal ‘als een grof schema’, waar we niet buiten kunnen. Bernlefs demente personage hoeft met de werkelijkheid van verzorgingstehuizen niets méér te maken te hebben dan de dieren van A. Koolhaas met wat een bioloog zou vertellen: het enige dat voor lezers telt, is een zekere overeenkomst met het beeld dat de leek heeft van muizen en ratten, of, voor hetzelfde geld, van seniele bejaarden. 4) Naar mijn indruk vertoont Maarten Klein de bekende ‘uitvalsverschijnselen’, de symptomen die men kent of meent te kennen. Dat maakt hem als romanfiguur waarschijnlijk en aanvaardbaar. Tegelijkertijd heeft hij een eigenschap waarvan ik niet weet of die in de werkelijkheid bij dementerende bejaarden wordt aangetroffen: hij beseft wat er hapert, hij voelt dat ‘iets’ hem aantast en overvleugelt: ‘wat schuilt daar binnen in mijn lichaam toch dat het op mij gemunt heeft?’ Het doet er weinig toe, of zo’n metabewustzijn reëel is – wie zou er overigens uitsluitsel over kunnen geven? Maar het is voor de lezer, en denkelijk ook voor de schrijver, van het hoogste belang, omdat daar het medeleven van afhangt: die combinatie van mededogen en vrees waar Aristoteles het al over had. 5) Maarten Klein is een tragische held dank zij de anagnorisis: de herkenning van het drama waar hij in verstrikt is geraakt. Wat dat betreft, is deze oude man een bedenksel, een hersenschim, een artefact als ieder ander personage dat beter bij zijn positieven is. In Hersenschimmen heeft de lezer deel aan een genadeloos proces van psychisch verval en lichamelijke aftakeling, dat nochtans de integriteit van de hoofdfiguur onaangetast laat: er is geen ironie, geen distantie, geen superioriteit in de manier van vertellen, dus evenmin in een acceptabele manier van lezen. Bernlef is een merkwaardige auteur. Hij geldt als een vertrouwde verschijning in de Nederlandse literatuur, met tientallen boeken op zijn naam, en over waardering en bekroningen heeft hij zich niet te beklagen. Toch hoort hij buiten een kring van kenners niet tot de eredivisie van letterkundigen, en ik herinner me een interview in NRC Handelsblad, enige jaren geleden, waarin hij zichzelf ook voorstelt als een ‘maker’, een ambachtsman die de hoogste toppen buiten zijn bereik weet. Misschien is dat terecht. Ik ken lang niet al het werk van Bernlef, en ik heb niet
de gewoonte, schrijvers met de duimstok na te meten, maar de literatuur is natuurlijk ook een soort competitie, of een vorm van ‘creatieve wedijver’, om met J. Kamerbeek jr. te spreken. Dan moet me toch van het hart dat a in Bernlefs poëzie van de laatste jaren, in de roman Sneeuw (1973) en in dit nieuwe boek Hersenschimmen stalen zijn te vinden van een kunnen dat het respectabele vakmanschap te boven gaat. Uiteraard voorzag Bernlef dat ook al in die lezing uit 1968: ‘(de schrijver) verzon zijpaden, dwaalde af, legde valstrikken voor de lezer, liet heden en verleden samenvallen, iemand dromen dat hij wakker wad, liet iemand bestaan door haar te laten staven en langzaam zag hij de oren van het konijn uit de hoge hoed te voorschijn komen’. Zoals de Fransen zeggen: ‘Chapeau!’
het vermogen om een toeschouwer mentaal uit de alledaagse werkelijkheid te tillen (‘meta-bewustzijn’)

5 Opvallende uitspraken:

1. Hersenschimmen heeft een ongebruikelijk korte flaptekst van drie regels, waar toch te veel in staat.
Met deze uitspraak ben ik het bijna geheel mee eens. Op het einde van het boek zijn het namelijk alleen nog maar flarden van zijn denken, enkele zinnetjes en dan valt er alweer een open plek. Je kon er desondanks vanaf leiden waar hij zich bevond, wat hij deed en waar hij aan dacht. Toch kon ik er op de laatste paar pagina’s weinig meer van af leiden. Het waren bijna alleen nog maar mijmeringen waar ik zelf op een gegeven moment amper verband in zag. Bijvoorbeeld op de allerlaatste pagina,

2. Het woord dementie had er niet moeten vallen: het geeft jammer genoeg de conclusie voordat de lezer die uit het samenstel van signalen in het begin van het boek heeft kunnen trekken.
Het klopt dat in het boek duidelijk naar voren wordt gebracht dat hij dement wordt, maar om nou te zeggen dat het de spanning uit het boek weghaalt en de lezer zo niet meer verrast kan worden, is onterecht. Ik bleef juist geboeid omdat het niet zo’n zweverig boek is waarbij het maar half wordt vertelt en je zelf uit moet zoeken wat nou de waarheid is of wat er aan de hand is. In het begin lees je uit de tekens af dat hij inderdaad dement aan het worden is, en in de loop van het verhaal wordt dat beeld bevestigd. Ik vind daar niks mis mee en helemaal niet jammer. Ik vind het als lezer juist fijn om bevestiging te krijgen, ook al valt er dan het woord dementie.

3. Aan de andere kant maakt het gekozen perspectief duidelijk dat ‘inadequaat’ niet bepaald het juiste woord is voor wat er in de hoofdpersoon omgaat. Het is een uitdovend bewustzijn, dat zijn greep op het heden verliest, namen en woorden kwijtraakt, maar waarin nog heel lang een particuliere samenhang zichtbaar blijft: de coherentie van herinneringen, nooit vertelde voorvallen, associaties en aldoor vluchtiger indrukken.
Hier ben ik het wel mee eens, in al zijn gedachtes zit structuur (met uitzondering van de laatste paar bladzijden van het boek). Ook al dwalen zijn gedachten vaak af naar het verleden, er zit structuur in zijn denken. Als hij het bureautje ziet waar hij vroeger als kind aan mocht gaan tekenen, waar zijn vader zijn werkspullen bewaarde, gaat Maarten denken aan zijn werk, komen er herinneringen naar boven die zich hierbij aansluiten, waarbij dit alles bij elkaar in verband wordt gebracht. Geleidelijk aan gaat het denken over het heden over naar een verhaal uit het verleden.Het gaat dus helemaal niet van de hak op de tak. Behalve op de laatste paar bladzijden, dan kan hij amper meer denken en komen er alleen korte zinnetjes uit, met hier en daar een open plek. Maar grotendeels komt deze stelling wel overeen met het boek.

4. Naar mijn indruk vertoont Maarten Klein de bekende ‘uitvalsverschijnselen’, de symptomen die men kent of meent te kennen. Dat maakt hem als romanfiguur waarschijnlijk en aanvaardbaar.
Hier ben ik het helemaal mee eens, Maarten Klein is een heel realistisch dementerend personage. Dit komt doordat de schrijver Maartens belevingswereld in detail uitwerkt. In het boek lees je vrijwel alleen de gedachtes van Maarten, zo zie je ook het patroon van zijn denken veranderen. Of dit nou in de werkelijkheid hetzelfde gaat als in het boek is irrelevant, omdat de werkelijkheid ervan niet bekend is. Dat is, zoals de recessent al zegt, de vrijheid van de schrijver. De uitvalsverschijnselen zijn echter wel bekend, en daarmee spoort de hoofdpersoon. Maar of de gedachtegang ook zo plaats vindt, dat weet niemand.Toch heeft Bernlef dit heel realistisch weten te verwerken. Dit is voor mij de reden dat Maarten Klein een waarschijnlijke en aanvaardbare romanfiguur is.

5. Maarten Klein is een tragische held dank zij de anagnorisis: de herkenning van het drama waar hij in verstrikt is geraakt.
Maarten Klein is inderdaad een tragische held, hier ben ik het dan ook voor 100% mee eens (of je moet het woord ‘held’ letterlijk opvatten, maar hier ben ik niet vanuit gegaan). Natuurlijk maakt het gegeven dat hij het drama bewust meemaakt en herkent het erger voor hem. Hierdoor past hij binnen het begrip Tragische Held.