Selecteer een pagina

Karel ende Elegast, verslag van de vragen in het boekje

De achtergrond
In vers 1243 t/m 1414 wordt benadrukt dat Elegast en Eggerik dezelfde hertogelijke status hebben. Dit wordt gedaan om te benadrukken dat beide mannen gelijke kansen hebben. Ze hebben allebei dezelfde opvoeding, dus ook vechtopleiding gehad. Ook zullen ze beiden genoeg geld hebben om een fatsoenlijke wapenuitrusting te betalen.
Een tweegevecht werd toegepast in geval van brute schendig van de koninklijke vrede. De koning kon dan een van zijn vazallen laten strijden tegen de onruststoker.
Ook als het onduidelijk was wie de schuldige aan een misdrijf was of wie gelijk had in geval van een meningsverschil, werd een tweegevecht toegepast. God liet immers altijd de onschuldige winnen en het werd dus gezien als een eerlijk middel.
Via een gerechtelijk tweegevecht beslissen Eggerik en Elegast wie er gelijk heeft. Dit gevecht kon alleen door Elegast gewonnen worden, omdat God besliste over de uitkomst van het gevecht. God liet natuurlijk nooit de misdadiger winnen.
In vers 1327 en 1328 wordt verder uitgelegd waarom Eggerik niet kan winnen. Er worden, behalve zijn verraad, nog meer zondige dingen genoemd die het voor Eggerik vrijwel onmogelijk maken nog te winnen. Eggerik bidt namelijk niet en wint zo de gunst van God niet. Verder laat het vers zien dat als je God aan je zijde hebt, hij er altijd voor zal zorgen dat je het er levend vanaf brengt.
Na het tweegevecht, dat glansrijk door Elegast gewonnen werd, werd Eggerik nog opgehangen. Dit lijkt nutteloos aangezien hij al dood was. In de middeleeuwen dacht men daar anders over. Volgens het middeleeuwse rechtssysteem stond op iedere overtreding een bepaalde straf. Pas als deze was uitgevoerd, was er voor geboet. In het geval van Eggerik moest hij nog worden opgehangen, want dat was de straf die stond op hoogverraad.
Bovendien kon de misdadiger er nog profijt van hebben als hij door God beoordeeld werd bij de hemelpoort. Hij had dan geen openstaande zonden meer en kon misschien toch nog naar de hemel.
In het verhaal wordt gesproken over vespertijd, hoe laat Elegast en Eggerik ongeveer gingen vechten. Met de vespertijd wordt de tijd tussen drie of vier uur ’s middags bedoeld. De monniken gingen dan vespers (middaggebeden) bidden, soms in de kerk of een kapel. De vespertijd duurde ongeveer 10 tot 55 minuten.

In de middeleeuwen was er een erg tweezijdig beeld van de kerk. Aan de ene kant werd de geestelijke orde veracht. Zij hadden genoeg geld en genoeg te eten, maar toch probeerden ze nog zo veel mogelijk van het arme volk af te nemen onder het motto ‘doe het voor God’. Daarom werd het Elegast ook niet kwalijk genomen dat hij stal van de bisschoppen, kanunniken, abten, monniken, dekens en pastoors. Zij verdienden immers niet beter.
Aan de andere kant waren er de kerken, de huizen van God. Daaruit stelen was ronduit taboe en werd zwaar bestraft. Alleen persoonlijke bezittingen van de geestelijken mochten worden gestolen, maar stelen van God deed men niet.
In vers 1295 wordt gesproken over de vijf heilige wonden. Hiermee werden de twee wonden in de handen van Jezus, de wonden in zijn voeten en de lans die hij in zijn zij gestoken kreeg bedoeld.
In het verhaal van ‘Karel ende Elegast’ zijn zowel politieke als christelijke elementen aan te wijzen. De christelijke elementen in het verhaal zijn het duidelijkst: de Engel die aan Karel verschijnt en hem vertelt te gaan stelen, het voortdurend bidden tot God en het feit dat vele van deze gebeden worden verhoord (met als resultaat het tegenkomen van Elegast en het winnen van het gevecht tegen Eggerik), geven aan dat God in de Middeleeuwen erg belangrijk was en men niet zonder deze christelijke aspecten kon.
De politieke elementen in het verhaal, zijn die van het koningsschap en de verhoudingen tussen koning Karel en zijn hofhouding: de koning, Karel, heeft macht over zijn vazallen en zijn onderdanen moeten hem beschermen.

In de middeleeuwen was het erg belangrijk dat een verhaal waarheidsgetrouw leek. Zodra er iets werd verzonnen, bracht men dit in verband met hekserij en ketterij, en wilde niemand meer naar de morele boodschap van het verhaal luisteren. Daarom was het voor de middeleeuwse luisteraars erg belangrijk dat benadrukt werd dat een verhaal echt waar was. Het moest leiden tot meer inzicht in de wereld.
De dichters Boendale en Van Maerlant twijfelden sterk aan de waarheid van het verhaal, aangezien zij nergens een oorsprong konden terugvinden. Ook is het vaak zo bij verhalen, dat zij in een iets andere vorm, maar met dezelfde boodschap, terug zijn te vinden in verhalen uit de oudheid. Dit was echter niet het geval met ‘Karel ende Elegast’.

Over de V die een F werd.
De letter V is door de jaren heen een F geworden, waardoor een aantal woorden een andere betekenis hebben gekregen dan in de originele versie van ‘Karel ende Elegast’. Een voorbeeld daarvan is het allereerste woord, waarmee het verhaal begint: ‘Vraaie historie…’, betekent een geschiedenis die waar is. Toen deze V een F werd stond er: ‘Fraaie historie…’, wat mooie geschiedenis betekent.
In de middeleeuwen werden boeken niet gedrukt, zoals nu. Ze werden overgeschreven door mensen die daar speciaal voor gestudeerd hadden: kopiisten. Doordat er veel overschrijffouten werden gemaakt en de kopiisten vaak expres veranderingen of verbeteringen aanbrachten tijdens het overschrijven, was ieder exemplaar van een verhaal uniek. Zo ook bij ‘Karel ende Elegast’. Dit verhaal is generaties lang doorverteld, totdat het uiteindelijk door een aantal mensen is opgeschreven. Alleen de meest populaire verhalen, zoals ‘Karel ende Elegast’ zijn op de drukpers beland.
De eerste versie van ‘Karel ende Elegast’ is geschreven in versvorm. Deze maakte later plaats voor ‘Karel ende Elegast’ geschreven in proza, waardoor lange verhalen werden ingekort. De boeken die zo ontstonden worden prozaromans genoemd.
‘Karel ende Elegast’ is geschreven in het Middelnederlands, wat nog enigszins uit de titel valt op te maken: ‘ende’, als in ‘Karel ende Elegast’ betekent hetzelfde als het woordje ‘en’. Dit kan vaak verwarring oproepen. Een goed voorbeeld hiervan, is de reclame in het schoolboek ‘Karel en Elegast’ op pagina 85, waarin de eigennaam ‘Elegast’ wordt gezien als een zelfstandig naamwoord en ‘ende’ wordt gelezen als ‘en de’, waarbij ‘de’ als lidwoord wordt gezien.

Het incunabelfragment van vers 1409- 1414
Die coninc gaf hem Eggeriks wijf
Si waren tsamen al haer lijf
Dus moet God al onse saken
Door onse doot te goede maken
Des gonne ons die hemelsche vader
Rusegghet amen alle gader:

‘Karel ende Elegast’ is een verhaal met als functie het publiek te vermaken en de grootheid van Karel de Grote te benadrukken: men benadrukt in het verhaal dat Karel trouw is aan God en dat hij voortdurend bereid is te doen wat deze van hem verlangt. Het is dus, in tegenstelling tot enkele andere verhalen over Karel de Grote, een verhaal dat zijn status positief beïnvloed en dat door het luisterende publiek als komisch werd (en wordt) ervaren. Karel was namelijk koning, een man van macht en rijkdom, en behoorde niet te stelen, wat de gebeurtenissen in het verhaal ongelooflijk en zelfs grappig doet lijken.

Er zijn zowel overeenkomsten als verschillen tussen het koningsschap in de tijd van Karel ende Elegast en het huidige koningsschap. Een overeenkomst is, dat ‘Prinsjesdag’ en ‘Hofdag’, zoals die in het verhaal plaatsvindt, enigszins op elkaar lijken: bij beide gelegenheden worden door de gezaghebber mededelingen over de toekomst gedaan. Ook de vazallen, de zogenaamde leenheren die gezag hadden over een bepaald gebied dat hen door de koning was toegewezen, tonen sterke overeenkomsten met de ministers: zij voeren in de huidige samenleving de uitvoerende (en medewetgevende) macht uit, zoals de vazallen dat ook voor Karel deden.
Een verschil met het huidige koningsschap is, dat de koning nu geen absolute macht meer heeft, terwijl dat in de tijd van Karel de Grote wel het geval was. Ook heeft een koning tegenwoordig geen leger van zwaarbewapende ridders meer.
Net als bij een bedrijf, was het in de tijd van Karel de Grote zo, dat er één persoon was die de macht had (de koning) en dat er onder die persoon mensen met steeds iets minder macht (hertogen) stonden. In het huidige bedrijfsleven zijn de machthebbers de eigenaars van de bedrijven en de mensen die daar onder staan de aandeelhouders en onderdirecteuren. De rest van de werknemers, in Karels tijd het volk, zijn onderdanig aan deze machthebbers.
Tegenwoordig hebben werknemers veel meer invloed op de beslissingen van ‘de baas’ dan het volk in de tijd van Karel op de beslissingen van de koning had: in tegenstelling tot de vroegere koningen heeft de directeur van een bedrijf niet de absolute macht over zijn bezittingen. Bovendien zijn de bezittingen van een directeur veel kleinschaliger en anders dan die van een koning als Karel. Deze bezat namelijk grote hoeveelheden land, terwijl een directeur een bedrijf bezit.