Selecteer een pagina

Lucianus, “De fantasten en de realist”, uit het boek “De ontmaskering van de charlatans”, waarin in totaal 3 verhalen staan. Vertaald door Hein L. van Dolen, uitgeverij Athenaeum- Pollak & Van Gennep.

Samenvatting:

Tychiades vertelt aan zijn vriend Filokles wat voor een onzin hij zojuist heeft moeten aanhoren.
Hij was eerst op zoek naar zijn vriend Leontichos, die, naar hij had gehoord, op ziekenbezoek was bij Eukrates. Toen hij bij hem aankwam was zijn vriend nergens meer te bekennen. Wel waren er een hoop wijze mannen op bezoek: Kleodemos de peripateticus, de stoïcijn Deinomachos, dokter Antigonos en de Platokenner Ion. Ze raakten in gesprek over vreemde geneeswijzen, die volgens Tychiades niets met genezen te maken hebben. Zo laait de discussie op: van de vreemde geneeswijzen gaat het naar Ion, die vertelt hoe een Babyloniër een grote vent, die na de beet van een adder op het punt stond zijn been te verliezen, redde met een bezweringsformule en een scherf van het graf van een gestorven maagd. Ion gaat verder over een jongeman die na het verkrijgen van een erfenis smoorverliefd was geworden op een getrouwde vrouw, Chrysis. Er werd een magier bij gehaald om de vrouw te winnen. Na een bezwering stond de vrouw voor de deur.
Omdat Tychiades niet te overtuigen is dat zulke dingen echt kunnen, gaan de mannen verder over verschillende beelden die ‘s nachts de benen nemen. Eukrates doet er nog een schepje bovenop door een wonder te vertellen dat hij 5 jaar geleden had gezien. Toen hij namelijk door het bos liep, zag hij opeens een enorme vrouw van wel 100 meter lang. Haar lijf leek op dat van een slang en haar hoofd op de Gorgo. De vrouw stampte op de grond en verdween in een gat zo groot als de onderwereld. Hij keek door het gat naar beneden en zag ook inderdaad de onderwereld, met daarin zijn vader. Ook meende hij Sokrates te herkennen.
Maar nog steeds is Tychiades niet overtuigd. Dus gaat Kleodemos verder.
Toen hij een tijd gelezen ernstig ziek was, werd hij door een engelachtig figuur in zijn slaap gehaald en naar de onderwereld gebracht. Daar werd hij voor Plouton gebracht, die hem echter terugstuurde, met de toevoeging dat zijn buurman wel aan de beurt was. En zijn buurman overleed inderdaad de volgende dag.
En Eukrates vertelt daarna over de begrafenis van zijn vrouw. Hij had al haar kleren samen met haar verbrand. Maar opeens kwam Demainete naar hem toe, die hem vertelde dat hij een schoen die onder de kast lag was vergeten. En hij keek onder de kast, en daar lag de schoen.
Dan komt er een nieuwe gast binnen: de pythagoreeër Arignotos. Ook deze vertelt, nadat hij gehoord heeft van Tychiades’ ongeloof, iets om hem te overtuigen. Hij had eens een geest uit een huis verdreven, door hem te bezweren met een Egyptische spreuk. Hij zag waar de geest de grond in ging en toen hij daar even later begon te graven, kwam hij ook echt een lijk tegen.
Hoewel het hele gezelschap hem nu totaal niet meer serieus neemt, volhardt Tychiades in zijn ongeloof. Dus Eukrates gaat verder, over een reis die hij eens door Egypte maakte met een oudere man, Pankrates. Deze man kon van ieder willekeurig voorwerp zijn bediende maken door een eenvoudige spreuk. Na een tweede spreuk nam het voorwerp dan weer zijn oorspronkelijke functie aan. Eukrates wilde dit ook wel eens zelf proberen en luisterde de spreuk af. Maar de spreuk om het ding weer terug te veranderen had hij niet gehoord. Dus toen hij het zelf probeerde en een stamper bezweerde om hem water te laten halen, hield deze niet meer op en overstroomde het huis.
En hij gaat weer verder over een orakel waar hij bij op bezoek was gegaan. Maar Tychiades krijgt er schoon genoeg van en maakt zich snel uit te voeten.
Samen met zijn vriend wordt hij het dan toch nog eens dat de waarheid een stuk simpeler is als men het gezonde verstand gebruikt.

Mening:
Ik vond dit erg leuk om te lezen. De schrijver neemt bijna alles waarvan ik dacht dat men daar heilig in geloofde op de hak: een hoop bestaande opvattingen, de wijsheid van oude mannen en zelfs de goden. Het was erg grappig om te zien hoe iemand uit de maatschappij van toen zo kritisch en misschien ook wel zelfspottend kon kijken op een manier waarop wij dat ook doen. Ook ik geloof niet in de geneeswijzen die men toen gangbaar vond en allerlei wonderen, maar dat komt doordat die in deze maatschappij ook als onzin worden afgedaan. Lucianus was opgegroeid met deze methodes en gedachten, dus voor hem moet het een stuk onvanzelfsprekender zijn geweest om zo kritisch te kijken.
Maar hoe kritischer het verhaal wordt op de ‘leugens’ van anderen, hoe kritischer je ook naar het verhaal zelf gaat kijken. Daardoor werd je als lezer alert gehouden.
De schrijfstijl was wel prettig. Ik heb er vlot doorheen gelezen en had soms alleen wat moeite met de hoeveelheid namen die gebruikt worden. Anders dan in “Dido en Aeneas”, wat ik de vorige keer gelezen heb, is het taalgebruik hier niet zo beeldend.