Selecteer een pagina

• Magneten hebben twee polen. Ongelijkmatige polen trekken elkaar aan, gelijknamige polen stoten elkaar af.
• De richting waarin de noordpool van een kleine proefmagneet wijst, is de richting van het magnetische veld.
• In een veldlijnenpatroon wordt de richting van het magnetische veld met pijlen aangegeven. De veldlijnen van een magneet lopen daarom buiten de magneet altijd van noordpool naar zuidpool.
• Met B wordt de magnetische veldsterkte aangegeven. De SI-eenheid ervan is de T (tesla)
• De veldlijnendichtheid is een maat voor de grootte van B
• Met de richting van B wordt de richting van het magnetische veld bedoeld
• Het is de richting waarin de noordpool van een proefmagneet wijst
• B= (μ0 * N*I) / l B : magnetische veldsterkte in spoel (T)
μ0 : magnetische permeabiliteit vacuüm (T*m /A)
N: het aantal windingen
I : stroomsterkte (A)
l : de lengte van de spoel (m)
• Rechterhandregel!
• Geladen deeltjes die loodrecht een magnetisch veld ingaan ondervinden een Lorentzkracht FL er geldt:
• FL = B * q * v FL : de Lorentzkracht in N
q : de lading van het deeltje in C
v: de snelheid van het deeltje in m/s
B: de sterkte van het magnetische veld in T.
• Wanneer B en v dezelfde richting hebben (een hoek van 0˚ of 180˚ met elkaar maken) geldt: FL = 0 N
• Als een stroomvoernede draad loodrecht staat op de richting van B, ontstaat een Lorentzkracht, waarvoor geldt:
• FL = B * I * l FL : Lorentzkracht in N
B : de magnetische veldsterkte in T
I : de stroom in A
l : de lengte van de draad in het veld in m.
• Wanneer B en I dezelfde richting hebben (een hoek van 0˚ of 180˚ met elkaar maken) geldt: FL = 0 N
• Linkerhandregel!!
• In een commutatormotor wordt de draaiing veroorzaakt doordat de stroom door de rotor elke halve slag van richting verandert.
• Φ = Bn * A Φ : de magnetische flux in Wb (weber)
Bn : de component van B, loodrecht op oppervlak(T)
A : de grootte van het gekozen oppervlak in m2
• Over de uiteinden van een spoel ontstaat een inductiespanning als de magnetische flux door de spoel verandert. We noemen dit verschijnsel elektromagnetische inductie
• Als op de spoel in deze situatie een eleketrische component wordt aangesloten, kan er een inductiestroom gaan lopen.

• Uind = N * (׀ΔΦ׀) / Δt Uind : opgewekte inductiespanning in V.
N : aantal windingen
׀ΔΦ׀ : absolute waarde van de verandering in de omvatte flux in Wb
Δt : de tijdsduur waarin de fluxverandering plaatsvind in s.
• In een stroomkring ontstaat zelfinductie als door een verandering van de eigen flux een inductie spanning wordt opgewekt.
• f = 1 / T f : de frequentie in Hz (hertz)
T : de trillingstijd in s.
• Met de effectieve waarde van een wisselspanning Ueff wordt de waarde van een gelijkspanning bedoeld die gemiddeld per seconde evenveel energie omzet.
• Met effectieve waarde van een wisselstroom Ieff wordt de waarde van een gelijkstroom bedoeld die gemiddeld per seconde evenveel energie omzet.
• Er geldt: Ueff = ½ √(2) * Umax en Ieff = ½ √(2) * Imax
• Waarbij Umax en Imax de topwaarden van de wisselspanning en – stroom zijn.

• In een draadwinding die met een frequentie f eenparig ronddraait in een homogeen magnetisch veld, ontstaat een wisselspanning:
• U(t) = Umax * sin(2π * f* t)
• In een gesloten stroomkring die op de dynamo is aangesloten loopt een wisselstroom:
• I(t) = Imax * sin(2π * f* t)
U(t) : wisselspanning in V
Umax : topwaarde spanning in V
I(t) : wisselstroom in A
Imax : topwaarde stroom in A
f : de frequentie in Hz
t : het tijdstip in s

• Bij een transformator geldt:
Up/Us = Np/ Ns
• Bij een ‘ideale’ transformator geldt bovendien:
Up * Ip = Us * Is en dus Is/Ip = Up/Us = Np/Ns

Met Up, Us : de primaire en secundaire spanning in V
Np Ns : de primaire en secundaire aantal windingen
Ip, Is : de primaire en secundaire stroom in A.
• Elektrisch vermogen dat door leidingen wordt getransporteerd, heeft het geringste verlies wanneer dit transport gebeurt bij een hoge wisselspanning via transformatoren.