Selecteer een pagina

De onweerswolk:
Onweer vindt plaats in zogenaamde culumonimbus wolken. Dat zijn hoge donkere wolken, ook wel onweerswolken genoemd.
Door de snelheid waarmee de luchtdeeltjes elkaar passeren ontstaat er een verschil in electrische lading in de wolk. Deze deeltjes gaan zo’n 80 km/h.
De culumonimbus wolk kan wel tot 12 km hoog worden. Door de hoogte van de wolk is de temperatuur onder aan de wolk veel hoger dan helemaal boven in de wolk… Zo kan het bovenin de wolk –40 graden C. zijn, en in het midden bijvoorbeeld –15 graden C. De wolk vult zich helemaal met waterdruppels, sneeuwvlokken en hagelstenen.
Boven in de wolk verzamelen zich positief (+) geladen deeltjes en iets onder het midden negatief (-) geladen deeltjes. Waterdruppels en sneeuwvlokken zorgen voor de geleiding van de + naar de – delen van de wolk. De deeltjes trekken elkaar aan, ze willen naar elkaar toe om te ontladen. Na de ontlading zijn ze neutraal. De ontlading gebeurt door een vonk, de bliksem.
Als er onder aan de wolk een kleiner centrum van positief geladen deeltjes ontstaat, dan wordt de electrische lading naar de aarde geschoten in de vorm van een bliksem die uit twee delen bestaat:
• eerst een uit vele takken bestaande bliksem van plus naar min
• dan een tegenstroming die de kortsluiting (bliksem) veroorzaakt.

De bliksem:
Een bliksem is meestal zo’n 5 km lang, maar je ziet maar een deel van de flits. De bliksem heeft een snelheid van wel 150.000 kilometer per seconde en is wel 30.000 graden C. Dat is vijf keer zo heet dan de oppervlakte van de zon! De meeste ontladingen gebeuren in de wolk zelf of tussen en aantal wolken. Soms zie je ze nauwelijks. Dat noemen we dan weerlichten. Maar is er een ontlading tussen een wolk en de aarde, dan hebben we te maken met een blikseminslag. De elektriciteit in een wolk zoekt vaak de kortste weg. Daarom is de inslag dan ook vaak op een hoog punt. Bijvoorbeeld een kerktoren. Maar ook veel inslagen zijn gewoon in de grond. Het lijkt alsof de bliksem vanuit de lucht naar de aarde loopt, maar dat is niet zo. Het zichtbare deel van de bliksem breidt zich van beneden naar boven uit. Het bliksemkanaal krijgt contact met de tegengestelde lading dichtbij de aarde en de kortsluiting begint dus hier beneden. Wij kunnen dit niet met het blote oog zien, want de reis van de bliksem tussen aarde en wolk is slechts een fractie van een seconde. Het gaat dus heel erg snel.

De donder:
Behalve die flits is er ook nog een enorme knal, de donder. De donder ontstaat door de grote hitte van de bliksem. Daardoor zet de lucht zo snel uit, dat hij als het ware ontploft. Bliksem en donder ontstaan precies op hetzelfde moment. Toch zie en hoor je ze niet tegelijk. Dat komt doordat licht en geluid door de ruimte trekken met een andere snelheid. Licht reist een miljoen keer sneller door de ruimte dan geluid. De bliksem, het licht, zie je dan ook meteen. De donder, het geluid, hoor je veel later. Een onweersbui blijft meestal niet langer dan een uur boven een plaats hangen. Toch kan het langer duren voor het onweer echt is afgelopen. Dat komt doordat er naast de oude bui steeds nieuwe buien kunnen ontstaan.
De bliksemafleider:
De Amerikaanse uitvinder Benjamin Franklin vond in 1752 de bliksemafleider uit. Hij deed dit met een zeer gevaarlijke proef. Vlak voor een onweersbui liet hij een vlieger op aan een lijn. Aan deze lijn zat ook een metalen sleutel. Zodra de lijn nat werd van de regen, waren er electrische ontladingen, vonken, te zien of te voelen. De electriciteit ging door de lijn naar beneden, richting de hand van Franklin. De sleutel lichtte helemaal op door de ontlading. Op deze manier heeft hij ook de bliksemafleider uitgevonden. Een bliksemafleider is een metalen staaf (van koper gemaakt) op het dak van een gebouw. Daaraan zit een metalen draad vast, die langs de muren tot in de grond loopt. De draad kan de stroom bij een blikseminslag in de aarde afvoeren, of afleiden. Net als bij de lijn van de vlieger van Franklin. Tegenwoordig hebben alle hoge gebouwen een bliksemafleider. Ze worden zo gemonteerd, dat ze hoger zijn dan het dak van het gebouw dat ze beschermen. Bij onweer wordt de bliksem dan aangetrokken door de bliksemafleider, die de stroom via een dikke kabel de aarde instuurt. (Op het voormalige World Trade Centre in New York was natuurlijk ook een bliksemafleider aanwezig. Dit was ook wel nodig want elk jaar werd het gebouw wel 22 keer getroffen door de bliksem.) Ook hoogspanningskabels hebben een grote kans om getroffen te worden. Daarom worden ze beschermd door hoger hangende leidingen met een verbinding naar de aarde. Bovendien zitten er tussen de leidingen relais die heel even afslaan als een mast door de bliksem wordt getroffen. Dat is de reden dat tijdens het onweer het licht in de kamer soms even knippert. (Een relais is een apparaatje die ervoor zorgt dat stroom wordt ingeschakeld. Deze zit ook vaak in alarmtoestellen.)