Selecteer een pagina

Uit de Hollandsche spectator.
Bloemlezing samengesteld door
P. Maassen

[b]Zakelijke gegevens :[/b]

Mr. Justus van Effen, Uit de Hollandsche Spectator 1756, samengesteld door P. Maassen, Martinus Nijhoff – Den Haag, 1967-1.

[b]Eerste reactie:[/b]

a. Dit boek hebben we gelezen in de periode Nederlands in de 9e klas. Ik mocht dit boekje ook gebruiken om een verslag van te maken. Daarom schrijf ik er nu een verslag van.
b. Omdat het boekje in 1756 geschreven is bevat het oude Nederlandse taal, dat was af en toe moeilijk te lezen. Uiteindelijk snapte ik de verhaaltjes wel en ik vond ze wel grappig. Het waren niet echt diepgaande verhaaltjes, maar meer oppervlakkig wat er toen in het dagelijks leven gebeurde.

[b]Verdieping:[/b]

a. De bundel bevat eigenlijk twee verhalen en een stukje over hoe men de Spectator moet lezen. Allebei de verhalen (en de derde ook wel) zijn in oude Nederlandse taal geschreven. En allebei gaan ze over het dagelijks leven toen. De thema’s zijn verder niet echt hetzelfde.
b. Samenvatting van Thijsbuurs Os:
Dit verhaaltje is een brief van Thijs aan Justus van Effen. Hij bewondert Justus heel erg en schrijft in zijn brief wie hij is en wat hij meemaakt.
Thijs is een meesterknecht van een schoenmaker. Hij is heel ijverig en werkt hard. Op een dag vertelt de baas dat hij elk jaar een koe koopt maar dat dat te veel voor hem alleen is. Hij heeft namelijk zijn twee dochters uitgehuwelijkt en zij zoon is in Oost Indië. Hij vraagt aan Thijs of hij ook een deel wil kopen. Thijs wil dat wel en samen gaan ze naar een boer. Daar zoeken ze in de wei een dunne koe uit, want daar zit meer vlees aan dan aan de dikke koe.
Na een paar dagen wil de baas de koe slachten maar daarvoor moet de winkel leeggehaald worden en dat vindt zijn vrouw niet zo goed. Ze vragen of het bij Thijs thuis kan. Thijs vindt het alleen maar geweldig!
De ochtend dat de koe geslacht wordt haalt Thijs de koe al vroeg uit de wei en bindt hem voor het huis vast. Er komen mensen langs die de koe bekijken en kinderen roepen: ‘Kijk, dat is Thijsbuurs os!’.
’s Avonds komen de slachters. Thijs heeft wel wat gedronken, maar toch wil hij zelf de koe slachten. Door een klein gevecht met de koe verwondt hij zichzelf met de bijl aan zijn been. Uiteindelijk heeft hij de koe geslacht. Hij wedt met mensen om hoeveel vlees er wel niet aan de koe zit. Van vreugde heeft Thijs de hele week niet gewerkt. Zijn vrouw is boos omdat hij zes gulden heeft verloren door niet te werken en vier gulden heeft gedronken. Maar Thijs is alleen maar blij, hij heeft de eer.
Samenvatting van Kobus en Agnietje:
Iemand schrijft een brief aan Justus van Effen. Hij vertelt dat hij verliefde stelletjes interessant vindt.
Hij zat een keer door het raam naar zijn buurmeisje Agnietje te kijken. Ze stond op de stoep op haar moeder te wachten. De jonge timmermansknecht Kobus kwam langs en vroeg of hij zijn pijp aan haar stoofje mocht aansteken. Hij was zenuwachtig, maar toen hij tot rust was gekomen vertelde hij haar dat hij haar lief had. Agnietje geloofde hem niet. Zij vond hem niet zo leuk. Agnietje wou nog geen partner. Agnietje ging naar binnen.
De man schrijft een tweede brief aan Justus.
Twee weken daarna zocht Kobus Agnietje weer op. Hij nam zijn zusje Keetje mee. Hij liet Keetje en Agnietje kennis maken met elkaar en met z’n drieën gingen ze een stukje wandelen. Toen ze weer terug kwamen wou Kobus Agnietje een afscheidskusje geven maar dat wou ze niet. Keetje zei dat Agnietje niet zo flauw moest doen en uiteindelijk geven ze elkaar drie kusjes. Kobus en Agnietje veranderden wel sinds ze elkaar kenden. De vader van Kobus kwam een keer bij de briefschrijver langs want hij is advocaat. Hij nodigde hem uit om bij hem te komen eten samen met hem, Kobus, Agnietje en Motje (tante).
Eenmaal daar aan tafel. Kobus werd door Agnietje Jakob genoemd om dat dat netter klonk. Jakob at bijna niks omdat hij alleen maar naar Agnietje zat te kijken. Nadat hij wat te veel had gedronken wou hij Agnietje zoenen maar dat wou ze niet in het openbaar. Later gingen ze de trouwerij regelen. De advocaat stelde voor niet in gemeenschap van goederen te trouwen omdat Agnietje bijna geen geld had. Maar dan geeft Motje een groot bedrag en konden ze toch zo trouwen. De notaris zette alles op papier en diezelfde avond trouwden ze.
Samenvatting over hoe men de spectator moet lezen:
Het doel van de verhaaltjes is het publiek een prettige manier de waarheid te zeggen.
De auteur vindt het leuk kritieken te krijgen op zijn verhaaltjes. Hij verdeelt zijn briefschrijvers in drie groepen. In de eerste groep horen de schrijvers van ingezonden stukken, dat werk van hun is zo goed dat hij het zo kan publiceren. In de tweede groep horen ontwikkelde mensen. Maar ze hebben niks leuks of interessants te vertellen. Ook behoren tot de tweede groep jonde mensen die wel leuke stukjes hebben maar geen mooie schrijfstijl hebben. Tot de derde groep horen mensen die denken dat ze goeie schrijvers zijn, maar in werkelijkheid hebben ze alleen maar een mooi handschrift.
De lezers kunnen in twee groepen verdeeld worden. In de eerste groep horen mensen die kritiek hebben op het feit dat de auteur ernstige onderwerpen met een licht toets behandelt. In de tweede groep (de grootste groep) horen mensen die graag lectuur lezen. Maar die snappen niet wat het doel is van de verhaaltjes: het verhaaltje is bijzaak, de hoofdzaak is de boodschap.

Alle twee de verhaaltjes zijn in oud Nederlands geschreven. Alleen het derde verhaaltje niet. Ze spelen zich af in het dagelijks leven van toen. De verhaalfiguren zijn ook allemaal van dezelfde tijd, de romantiek. Verder zitten er geen opvallende overeenkomsten in. Nog wel een verschil is dat het eerste verhaal echt over het platteland leven gaat terwijl ik het idee heb dat het tweede verhaaltje meet over het stadsleven gaat.

[b]Beoordeling:[/b]

De twee verhaaltjes zijn een beetje uit de tijd van nu. Dat is ook wel logisch, ze komen uit de romantiek. Maar daardoor zijn ze minder boeiend. Ze zijn een beetje saai, en alle kleine dingetjes worden uitgebreid besproken. Met veel bijvoeglijke naamwoorden. De gevoelens van de personen worden uitgebreid besproken.
Als ik moet kiezen spreekt me het eerste verhaaltje (Thijsbuurs os) me het meest aan. Ik vind het leuk om te lezen op wat voor simpele manier Thijs blij is met zijn os. Als je dat verhaaltje in de tijd van nu zal zetten zal het een heel onzin verhaal zijn. Wie is er nu nog blij als hij een os mag slachten?
Het tweede verhaaltje vind ik wel wat saai. Er gebeurt niet echt veel, en ik vind het niet zo boeiend beschreven. Ik begreep het ook minder dan Thijsbuurs os.
Verder vond ik het best een leuk boekje. Voor in die tijd beschreven dan. Want ik lees nog wel het liefst boeken uit deze tijd.
Het is dus een leuk boekje als je een boek moet lezen van voor 1880. Daarvoor is het wel geschikt.

[b]Biografie Justus van Effen:[/b]

Justus van Effen werd in 1648 geboren in Utrecht. Zijn vader was luitenant bij de cavalerie. Na de Latijnse school studeerde hij een tijdje letteren in Utrecht, maar door de dood van zijn vader (± 1704) moest hij zijn studie afbreken. Hij werd huisleraar (gouverneur) bij een Franse weduwe in Den Haag, later bij baron van Wassenaar Duivenvoorde. In 1711 werd hij lid van een Franssprekende literaire club; twee jaar later was hij medeoprichter van ‘Journal litéraire de La Haye’ (1713-1736) In 1715 en 1716 verbleef hij als klerk van baron Van Wassenaar Duivenvoorde in Engeland. Daar leerde hij onder andere Newton, Swift, Pope, Steele en Addison kennen. In 1715 werd hij benoemd tot lid van de Royal Society. Na zijn terugkeer in Nederland werd hij gouverneur bij graaf Van Welderen. In 1719 vergezelde hij de prins van Hessen-Philipsthal als secretaris op een reis naar Zweden, waar hij vijf maanden bleef. Van 1724 tot 1727 studeerde hij rechten in Leiden en behaalde tegelijk met de zoon van Van Welderen de meesterstitel. Daarna werd hij na een verblijf van 8 maanden in Engeland als secretaris van graaf van Welderen, gouverneur bij Jacob Huysman, oud directeur-generaal van Nederlands-Indië. Op voorspraak van Van Welderen werd hij in 1732 benoemd tot commissies van de oorlogsmagazijnen in Den Bosch. In het zelfde jaar trouwde hij met een veel jongere vrouw; ze kregen twee kinderen. Hij kreeg last van een maagkwaal en stierf na een langdurige pijnlijke ziekte in september 1735 in Den Bosch.