Selecteer een pagina

Maatschappijleer, hoofdstuk 1, politieke besluitvorming

Paragraaf 1, politiek

• De manier waarop voor een land besluiten worden genomen = politiek
9 De meeste besluiten worden genomen door de regering en parlement
9 Zij hebben de meeste politieke macht
9 Burgers, media en ambtenaren kunnen invloed uitoefenen op de besluiten.
-> Dus: Politiek: de inhoud van het overheidsbeleid én de wijze waarop dit beleid
totstandkomt.
• De beslissingen van de overheid -> gaat veel mensen uit ons land aan -> zaken van algemeen belang zijn en te maken hebben met:
– Openbare orde en veiligheid, zoals het besluit om meer politieagenten neer te zetten
– Buitenlandse betrekkingen, zoals het sturen van militairen
– Welvaart, zoals ervoor zorgen dat er meer banen voor jongeren komen
– Welzijn, zoals de wachtlijsten in de ziekenhuizen wegwerken
Om ervoor te zorgen dat deze besluiten goed kunnen worden uitgevoerd, betalen burgers belasting -> dus burgers hebben het recht invloed uit te oefenen op de politiek
• Het politieke bestuur in ons land kent drie niveaus:
o De gemeente
o De provincie
o Het Rijk ( hele land )
o In Amsterdam bestaat nog een 4e niveau: daar zijn namelijk stadsdeelraden, die besluiten wat er in een bepaalde wijk gebeurt.
• Verschillende manieren om invloed uit te oefenen op de politiek:
o Stemmen
o Lid worden van een politieke partij
o Contact opnemen met politici
o Een verzoek indienen
o De pers benaderen
o Lid worden van een actiegroep
o Burgerlijke ongehoorzaamheid, het openlijk de wet overtreden met het doel politici te overtuigen dan een genomen besluit fout is
o Gerechtelijke procedures beginnen

Paragraaf 2, politieke stromingen en partijen
Zie ook aantekening!

• Stroming; een geheel van opvattingen
• Ideologie; Het geheel van ideeën over de mens, menselijke relaties en de inrichting van de samenlevingen.
• Ideologieën hebben duidelijke standpunten over:
o Normen en waarden
o Sociaal-economische verhoudingen
o Machtsverdeling
• Progressief = vooruitstrevend, de maatschappij willen veranderen.
– Progressieve partijen hebben vaak contacten met actiegroepen -> ze willen
negatieve ontwikkelingen veranderen met bijsturende maatregelen.
– Vb: Ze vinden dat je niet alleen drugshandel moet bestrijden, maar ook hulp moet
verlenen aan drugsgebruikers
• Conservatief = behoudend
– Conservatieve partijen benadrukken met name datgene wat al is bereikt ->
Dus meer aandacht voor traditionele waarden en hebben dus meer contacten
met kerkelijke organisaties en gezaghebbende instanties.
– Conservatie partijen benadrukken traditionele waarden en normen als
gehoorzaamheid, ijver en trouw en houden graag alles bij het oude.
– Vb: voor een streng mogelijke aanpak van het drugsprobleem en accepteren geen
drugsgebruik in welke vorm dan ook.
• Reactionair = achteruitstrevend -> soms gaan politieke conservatieven nog verder en willen ze oude regels die inmiddels door andere regens zijn vervangen, weer herstellen.
• Politiek Links sluit over het algemeen aan op de progressieve uitgangspunten.
Daarbij benadrukt links het principe van gelijkwaardigheid.
Links komt met name op voor mensen met een achterstandspositie.
• Politiek rechts sluit vaak aan bij de conservatieve uitgangspunten.
Daarbij legt rechts de nadruk op bescherming van de persoonlijke en economische vrijheid.
Rechtse partijen zijn tegen een te grote gelijke behandeling van mensen -> als de inkomens te veel gelijk zijn, verdwijnt volgens hen de prikkel om hard te werken en eigen initiatief te nemen.
• Liberalen richtten zich vooral op het ideaal van de vrijheid, omdat ze vonden dat mensen werden onderdrukt. De staat moest zo min mogelijk beperkingen opleggen en slechts dienstbaar zijn aan het ideaal van de persoonlijke vrijheid.
De liberalen richtten zich in de 1e periode vooral op kooplieden en fabrikanten omdat die hun eigen weg wilden gaan -> Daarom streden zij vooral ook voor economische vrijheid.
• Liberalen vinden nu vrijheid nog steeds belangrijker. Ze vinden dat de overheid ook op sociaal-economisch gebied slechts een kleine rol moet spelen en zijn voor een vrije markteconomie.
• De overheid moet zich beperken tot een aantal kerntaken: defensie, onderwijs, en de bescherming van de rechtsstaat en de klassieke grondrechten.
• De VVD os de meest kenmerkende liberale partij.
• Zowel liberalen als socialisten streven naar het welzijn van de mens.
– De liberalen benadrukken de individuele vrijheid
– De socialisten gaan voor gelijkheid of gelijkwaardigheid.
• Een deel van de socialisten vond dat alleen sociale wetten onvoldoende waren om de gelijkheid van alle mensen te bereiken.
Volgens de econoom Karl Marx zouden de kapitalistische fabrikanten de arbeiders altijd blijven uitbuiten.
• In het politieke midden bevindt zich de Christen-democratie.
– Ze streven naar een samenleving op Christelijke grondslag, waarin geloof,
naastenliefde, harmonie de belangrijke waarden zijn.
– In deze ideologie is niet de mens het belangrijkst maar God.
– Binnen de christelijke stroming is het rentmeesterschap een belangrijk beginsel:
de overheid dient de door God aan de mens ‘in bruikleen’ gegeven aarde op
zorgvuldige wijze te beheren.
– De christen-democraten willen een ‘zorgzame’ samenleving in plaats van een
verzorgingsstaat. -> dit volgt uit hun uitgangspunt van ‘gespreide verantwoordelijkheid’.
Mensen moeten voor elkaar zorgen kunnen en willen nemen: de staat moet mensen
niet teveel uit handen nemen.
• Het CDA is de grootste christen-democratische partij. ( Christen-democratisch Appèl )
Daarnaast: SGP ( Staatkundig Gereformeerde Partij ) en de ChristenUnie.
• One-issuepartijen; richten zich op één aspect van de samenleving en daar hebben zij een duidelijk standpunt over: de vroegere ouderenpartijen zijn hiervan een voorbeeld -> zij kwamen alleen op voor de belangen van de ouderen.
• Protestpartijen; ontstaat uit onvrede met de bestaande politiek.
D66 was lange tijd de bekendste protestpartij.
• Aan het begin van deze eeuw -> 2 nieuwe protestpartijen; LPF en Leefbaar Nederland.
• Van links naar rechts kennen we de volgende politieke partijen in de Tweede Kamer:
Sp Groenlinks PvdA D66 CDA LPF VVD ChristenUni SGP
• Bladzijde 26 t/m 28 leren -> Standpunten van belangrijke partijen

Paragraaf 3, Rechtsstaat en democratie

• Nederlands is een staat -> onafhankelijk omdat er 3 elementen aanwezig zijn:
– Er is een vast grondgebied of territoir
– Op het grondgebied woont een bevolking
– Er wordt een vorm van gezag uitgeoefend.
• Nederland de macht van de overheid accepteren, is ook wel gezag genoemd.
• Macht: is het vermogen om je wil aan anderen op te leggen, eventueel tegen hun zin.
• Dictatuur: een staat waarin alle politieke macht in handen is van één persoon of een kleine groep mensen.
• Democratie: een staatsvorm waarbij de bevolking invloed heeft op de politieke besluitvorming
De overheid moet zich ook houden aan:
– de Grondwet
– De vrijheid van de overheid wordt beperkt door de kiezers -> bij verkiezingen schenkt de
bevolking namelijk jet vertrouwen aan de gekozen politici: de volksvertegenwoordiging.
Zij controleren de overheid.
– De overheid wordt steeds nauwlettend gevolgd door de media.
• Rechtstaat: een staat waarin de overheid is gebonden aan wettelijke regels waarin de bevolking beschikt over politieke en sociale rechten.
Elk rechtstaat heeft de volgende kenmerken:
– Er is een grondwet
– Burgers hebben grondrechten
– Er is een scheiding van de verschillende machten.
• In de Nederlandse Grondwet zijn de grondrechten vastgelegd, ook wel mensenrechten genoemd. Sinds 1983 horen daar ook sociale grondrechten bij:
– Vrijheidsrechten
– Politieke grondrechten
– Sociale grondrechten
• Politieke macht: het vermogen om invloed en controle uit te oefenen op politieke besluiten.
• Trias politica, delen we in drie onderdelen:
– De wetgevende macht, stelt wetten vast waaraan de burgers zich moeten houden
-> taak van de regering (ministers en koningin) en het parlement (Eerste en Tweede Kamer)
– De uitvoerende macht, zorgt ervoor dat eenmaal goedgekeurde wetten ook precies
worden uitgevoerd.
-> taak van de ministers
– Rechterlijke macht, beoordeelt of wetten goed worden nageleefd.
-> Taak van de rechters.
• Referendum: een volksstemming over een wetsvoorstel
Voordelen: – De bevolking wordt meer betrokken bij de politiek
– Politici zijn beter op de hoogte van de mening van de mening van de
bevolking over een kwestie.
Nadelen: – Erg moeilijk om een duidelijke vraagstelling op te stellen waarop alleen
ja of nee kan worden geantwoord.
– Het is duur en organisatorisch onuitvoerbaar om regelmatig een referendum te
houden.
– Extreme denkbeelden of niet-realistische maatregelen kunnen onderwerpen
worden waarover men een referendum wil houden.
• Nederland heeft een indirecte democratie; volk neemt zelf geen beslissingen maar laat dit over aan vertegenwoordigers = parlementaire democratie -> parlement de belangrijkste beslissingen nemen
• Monarchie; een staatsvorm met een koningin als staatshoofd -> ook houden aan Grondwet.

Paragraaf 4, verkiezingen en kabinetsformatie

• Alle Nederlanders van 18 jaar en ouder hebben actief kiesrecht en mogen hun stem uitbrengen.
• Het recht om je verkiesbaar te mogen stellen ; Passief kiesrecht. ( 18 jaar of ouder )
• Buitenlanders die langer dan 5 jaar in Nederland wonen hebben allen kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen. ( actief en passief )
• Een partij die mee wil doen aan de Tweede-Kamerverkiezingen voldoen aan de volgende voorwaarden:
o De partij moet zich officieel laten registreren
o De partij moet in elke kieskring waar het wil meedoen een kandidatenlijst inleveren.
o De partij moet in elk kiesdistrict waarin het mee wil doen de steunbetuiging van 30 Nederlanders hebben
o De partij moet € 11.250,- betalen.
• De meeste partijen die meedoen aan verkiezingen hebben een verkiezingsprogramma. (niet verplicht) -> hierin staan de belangrijkste plannen en opvattingen van de partij vermeld.
• Lijsttrekker; de persoon die voor een partij als eerste op de lijst van kandidaten staat geplaatst.
• Verkiezingen worden in ons land gehouden via het stelsel van evenredige vertegenwoordiging.
Bij Tweede-Kamerverkiezingen worden de 150 zetels verdeeld op basis van alle uitgebrachte stemmen in het hele land. -> bij de berekening wordt uitgegaan van de kiesdeler; de hoeveelheid stemmen die je nodig hebt voor één zetel.
• Sommige landen hebben bovendien een kiesdrempel. Een partij krijgt dan alleen zetels als er een bepaald percentage stemmen is behaald.
• De lijsttrekkers proberen dan de zogenaamde zwevende keizers te winnen dat zijn:
– mensen die niet op een vaste partij stemmen, maar geregeld van partij wisselen
– mensen die ontevreden zijn over de partij waar zij de vorige keren op stemden.
– Mens die nog nooit gestemd hebben
• Kabinet; alle ministers en staatssecretarissen samen.
• De onderhandelingen over welke partijen en personen ons land gaan besturen, starten meteen.
We noemen dit kabinetsformatie.
Het doel is om een aantal bekwame ministers een staatssecretarissen te vinden die:
– Het globaal eens zijn over het toekomstig beleid
– Samen de steun hebben van de meerderheid van de Tweede Kamer.
• De kabinetsformatie verloopt over het algemeen in acht stappen:
o De koningin krijgt advies
o De koningin benoemt een informateur
Informateur: een ervaren politicus die kijkt welke partijen samen een meerderheid hebben in de Tweede Kamer en ook willen samenwerken.
o De informatie
Regeerakkoord: de coalitiepartijen de hoofdlijnen aangeven van het beleid dat zijn in de komende tijd willen voeren
o De informateur gaat terug naar de koningin
o De koningin benoemt een formateur
Formateur: deze moet ervoor zorgen dat hij ministers en staatssecretarissen vindt die het regeerakkoord willen uitvoeren.
o De formatie
o De formateur gaat terug naar de koningin
o De koningin benoemt het nieuwe kabinet
Het kabinet krijgt meestal de naam van de minister-president, zoals het kabinet Balkende
• Soms lopen de problemen zo hoog op, dat het bestaan van het hele kabinet in gevaar komt; kabinetscrisis -> hiervoor zijn 2 redenen:
– De ministers kunnen het onderling niet met elkaar eens worden over een aantal kwesties.
– De meerderheid van de Tweede Kamer steunt het kabinet niet meer en zegt zijn vertouwen in
de ministers op.
• In dit soort situaties gaat de minister-president naar de koningin om het ontslag van zijn kabinet aan te bieden. -> vervroegde Tweede-Kamer verkiezingen
• De oude ministers blijven zolang om het land niet onbestuurbaar te maken. Zij handelen alleen de lopende zaken af en maken geen nieuwe zaken meer = demissionair (aftredend) kabinet.

Paragraaf 5, regering en parlement

• De ministers vormen het dagelijkse bestuur van ons land.
9 de uitgangspunten van hun beleid moeten zij ter goedkeuring voorleggen aan het
parlement.
9 Een minister mag dus geen lid van de Tweede Kamer zijn, omdat hij zichzelf dan moet
controleren.
• Het parlement, dat uit de Eerste en Tweede Kamer bestaat, heeft als belangrijkste taken:
– discussiëren
– stemmen over wetsvoorstellen
– controleren van ministers
• De ministers vormen met elkaar de ministerraad.
• De belangrijkste taak van de regering is de voorbereiding + uitvoering van het overheidsbeleid
Dit gebeurd voornamelijk door:
– Het opstellen van wetsvoorstellen
– Het uitvoeren van eenmaal aangenomen wetten
– Het jaarlijks opstellen van de rijksbegroting en deze aanbieden aan het parlement.
• De koningin is onschendbaar.
9 de belangrijkste taken van de koningin zijn:
– het plaatsen van haar handtekening onder alle wetten
– het voorlezen van de Troonrede op Prinsjesdag
– Het benoemen van ministers en (in)formateurs
– het voeren van regelmatig overleg met de minister-president over het kabinetsbeleid.
• Elke minister heeft een eigen beleidsterrein = portefeuille -> een eigen ministerie waar veel ambtenaren voor hem werken.
9 ambtenaren bereiden wetsvoorstellen voor en geven adviezen.
• Als een minister ziek of afwezig is wordt hij niet vervangen door zijn staatssecretaris maar door een andere minister.
• Parlement -> Eerste + Tweede Kamer -> Staten-Generaal
• De Tweede Kamer wordt direct gekozen door iedereen die mag kiezen.
De Eerste Kamer wordt indirect gekozen, namelijk door de Provinciale Staten.
We spreken in dit geval van ‘getrapte’ verkiezingen.
• De Tweede Kamer:
o Heeft 150 leden
o Wordt voor 4 jaar gekozen
o Behandelt als eerste elk wetsvoorstel -> heeft het recht af te wijzen of te veranderen.
• Eerste Kamer: ( ook wel Senaat genoemd )
o Heeft 75 leden
o Kan een wetsvoorstel alleen in het geheel goed of afkeuren.
• De Eerste Kamer vormt vaak een soort extra controle op de Tweede Kamer.
• De Tweede Kamer heeft meer macht dam de Eerste Kamer
• Fractie: de groep vertegenwoordigers van een politieke partij in een gekozen orgaan.
• Aan een hoofd staat telkens een fractievoorzitter -> woordvoeder van zijn partij.
• Wanneer een partij maar één zetel heeft -> eenmansfractie.
• Regeringspartijen; zijn die partijen die ook deel uitmaken van de regering
• Oppositiepartijen; gevormd door alle partijen die niet in de regering zitten -> zijn het vaak niet eens met de voorstellen van de regering
• Taken parlement:
– (mede)wetgeving, ministers maken de meeste wetvoorstellen -> gelden pas als parlement
heeft goedgekeurd
– Controle van de ministers, het beleid van de ministers wordt steeds kritisch besproken in het
parlement

• Bij de (met) wetgevende taak kan het parlement gebruikmaken van de volgende rechten:
o Ten eerste heeft het parlement stemrecht bij wetsontwerpen -> wordt gestemd door de Eerste en Tweede Kamer.
o Ten tweede geeft het recht van initiatief de leden van de Tweede Kamer de mogelijkheid om wetsontwerpen in te dienen.
o Ten derde jet recht van amendement dat onderdelen van een wetsvoorstel door de Tweede Kamer mogen worden gewijzigd.
Dus: de Eerste Kamer mist het recht van initiatief en het recht van amendement. Zij kan een
wetsontwerp alleen in zijn geheel aannemen of verwerpen.
• Bij de controlerende taak:
o Het recht om mondelinge of schriftelijke vragen te stellen aan ministers of staatssecretarissen.
o Het recht van interpellatie, interpelleren betekend een minister ter verantwoording roepen.
o Het recht om een parlementaire enquête aan te vragen. Bij dit controlemiddel wordt er een gedetailleerd onderzoek naar een onderdeel van het regeringsbeleid ingesteld.
o Het budgetrecht om de rijksbegroting wel of niet goed te keuren
o Het recht om een motie in te dienen. Dat is een schriftelijke uitspraak over het beleid van een minister waarmee de Kamer het meestal niet eens is.
• Lobbyen -> achterkamertjes politiek