Selecteer een pagina

Geschiedenis en oorsprong

Wat betreft de oorsprong is Pompeii net zo oud als Rome. In de achtste eeuw voor Christus werd de eerste nederzetting gesticht. Hij kreeg zijn naam van de “gens pompeia”. Zij behoorden tot de Osci, een van de oudste Italische volkeren.
Uit de eerste eeuwen van de geschiedenis van Pompeii is niet veel bekend.
De nederzetting lag op de enige begaanbare route tussen het noorden en het zuiden en tussen de zee en de vruchtbare dalen van het binnenland. Daarom werd Pompeii als snel een belangrijk knooppunt van wegen. Het veranderde in een bloeiende stad. Daardoor werd het ook een aantrekkelijke prooi voor de omliggende machtige staten.
De Griekse staat Cumae was de eerste die Pompeii aan zich onderwierp. In de periode 525-474 v. Chr. Werd de heerschappij overgenomen door de Etrusken, die toen op het hoogtepunt van hun macht waren. Tegen het eind van de vijfde eeuw werd Pompeii veroverd door de Samnieten, die vanaf de streek in de Apennijnen van Isernia alles tot aan de Thyrreense zee hadden veroverd. In 310 v. Chr. versloegen de Romeinen de Samnieten en Pompeii werd bij de nieuwe Romeinse staat gevoegd.
De bewoners van Italie die met de Romeinen een bondgenootschap hadden aangegaan wilden in de Romeinse staat opgenomen worden. Toen dat niet op een vreedzame manier lukte, kwam er in de periode van 91 tot en met 89 v. Chr. een oorlog tegen Rome. Ook de mensen van Pompeii deden mee aan deze oorlog. Ze bouwden muren en torens om hun stad zodat ze zich zouden kunnen verdedigen. In 89 v. Chr. kwam de Romein Sulla met zijn leger, maar het lukte hem nog niet om de stad in te nemen. Er zijn veel sporen gevonden van de belegering van Pompeii door Sulla. In 80 v. Chr. komt Pompeii dan onder leiding te staan van Publius Cornelius Sulla. Pompeii werd niet vernietigd, maar het kreeg wel een nieuwe naam: “Colonia Veneria Cornelia P.” Dit ter ere van de veroveraar L. Cornelius Sulla.
Toen de stad een Romeinse Colonia was geworden, werd het Latijn de ambtelijke voertaal. Het Oskisch werd vanaf toen niet meer gesproken. Verder nam Pompei de Romeinse cultuur over en ging het mee met Rome in politiek en economisch opzicht.
Er waren stammen in Pompeii, waaronder de Samnieten, die toch nog lang weerstand bleven bieden aan de Romeinen. Ze raakten verwikkeld in een strijd tussen Marius en Sulla, die uiteindelijk door Sulla gewonnen werd.
Zeshonderd jaar lang hebben alle volkeren die Pompeii ooit veroverd hadden iets van hun eigen cultuur en gewoontes achtergelaten. Vooral de Samnieten hebben, ondanks dat de Romeinen in vier eeuwen veel veranderd hebben, veel van hun cultuur achtergelaten in de gebouwen en in de kunst.
In het jaar 79 na Christus was er een uitbarsting van de Vesuvius waardoor de stad compleet verwoest werd. Hierover meer in het hoofdstuk De vulkaanuitbarsting.

De theaters en tempels

De theaters

Er waren in Pompeii drie theaters: het kleine, het grote en het amfitheater.

Het kleine theater (odeion) was overdekt en werd gebruikt voor muziekuitvoeringen en mimevoorstellingen. Het kon 5000 toeschouwers bevatten.

Het kleine theater

Het Grote theater bood ook plaats aan 5000 mensen, verdeeld over verschillende sectoren al naargelang hun stand. De spelers beschikten over een brede scene van een meter hoog, waarachter een wand van twee verdiepingen was aangebracht met nissen, kolommen en beelden. Als het nodig was kon het overdekt worden door een velarium, een groot zeil. Dit theater deed dienst voor toneelvoorstellingen. Ten zuiden van het grote theater lag het quadriporticus, waar de toeschouwers konden wandelen en babbelen tijdens de pauze van het stuk.

Het grote theater

Het amfitheater van Pompeii werd in 80 v.Chr. gebouwd. Het is het oudst bekende amfitheater. De afmetingen bedragen 135 bij 104 meter en het kon plaats bieden aan 20.000 toeschouwers. Het gebouw werd gebruikt voor sport en voor voorstellingen met gladiatorengevechten, jachtpartijen en gevechten met wilde dieren. Deze voorstellingen, die door de Romeinen ingevoerd waren, werden zeer snel populair en daarom was het nodig het amfitheater uit te breiden.

Bezoekers kwamen ook uit nabijgelegen steden en de rivaliteit tussen de verschillende steden was zeer groot. In 59 na Chr. brak er een enorme ruzie uit tussen de bewoners van het nabijgelegen Nuceria en Pompeii. De ruzie laaide zo hoog op dat er vele doden vielen. Naar aanleiding hiervan liet Nero de spelen voor 10 jaar verbieden door de Romeinse senaat.

De Tempels

Religie had een belangrijke plaats in het dagelijks leven en kwam tot uiting in godsdienstige vieringen, in de tempels en heiligdommen.

De wortels van de Romeinse religie liggen in een wereld van landbouwers en herders,

die erg afhankelijk waren van de natuur en de seizoenen. Zoals de Romeinen vereerden de Pompejanen dus een aantal beschermgoden en, bijgelovig als ze waren, gaven ze aan dieren en planten een symbolische of godsdienstige betekenis (bij voorbeeld een slang stond voor vruchtbaarheid, en een sneeuwbal of Gelderse roos, viburnum, was teken van overwinning).

Ze geloofden ook in de magische kracht van symbolen (bij voorbeeld een fallus was het symbool voor geluk en voorspoed).

Door hun contact met de Etrusken, voeren ze de cultus van Jupiter, Juno en Minerva in. Van de Grieken hadden zij de verering van Apollo overgenomen.De oudste tempelresten in Pompeii zijn dan ook die van de tempel van Apollo, die teruggaat tot de 6de eeuw v. Chr.

Tussen de 6de en de 3de eeuw v. Chr. ontstond er een pantheon van officiele goden die twee per twee ‘gekoppeld’ werden: Jupiter ? Juno, Apollo ? Diana, Mars ? Venus, Neptunus ?Minerva, Mercurius ? Ceres, Vulcanus ? Vesta. Daarnaast waren er nog een aantal goden van tweede rang, die stonden voor waarden die de Romeinen belangrijk vonden, zoals Fortuna, Concordia, Pietas, Victoria, en Pax.

Ook waren er tempels voor de keizers, die de burgers goed hadden gevonden, zoals Augustus. Voor hem was de tempel van Fortuna Augusta.

In Pompeii waren de beschermgoden van de stad en landbouw Hercules, Bacchus en Venus. De officiele erediensten werden voorgegaan door de Pontifex Maximus en priesters. En deze waren, zoals in Rome, die van Jupiter, Juno en Minerva, wat een teken was van het verbond met de hoofdstad. Gezien de Romeinse religie gemakkelijk andere goden erkende, kwamen er, via het contact met de Egyptische wereld, weer nieuwe bij, zoals Isis. De tempel van Isis is het best bewaarde heiligdom van Pompeii.

Thuis was het de pater familias die waakte over de godsdienstige tradities. Men vereerde de Lares, de geesten van de voorouders, en de Penates, de beschermgoden van het huis, voor wie er meestal een klein altaar stond waarop men offergaven legde.

Huizen

In de omgeving van Pompeii waren er verschillenden type huizen. Door de eeuwen heen heeft de huizenbouw verschillende invloeden ondergaan, zoals de Samnietische, Griekse en Romeinse, en ook bouwtechnieken, stijl en grootte zijn veranderd.

Huizen in de stad waren anders dan die van het platteland. Buiten de stad waren het in het begin vooral landbouwcomplexen voor productie (villa rustica) die met de tijd uitgroeiden tot aangename en luxueuze villa’s (villa).

In de stad echter waren enkel de rijken eigenaar van hun huis. Ze leefden in een ruime woning en hadden meestal bedienden.

De armen leefden in gebouwen met verdiepingen, een voorloper van de appartementsgebouwen (insulae), zonder enig comfort, in kleine kamers en zonder water of haard en met weinig vensters.

Het aantal grote huizen in Pompeii bewijst dat er veel welvaart was.

De tuin maakte steeds deel uit van zulke villa’s en heeft ook een hele evolutie ondergaan.

Waar hij eerst een praktische functie had als groentetuin achter het huis (hortus) is de tuin later een siertuin geworden, omringd door het peristylium, een ware tuin voor het oog, met bloemen en groen, fonteinen en beelden en soms zelfs een zwempoel.

De eigenaar kon zijn huis, naargelang zijn rijkdom, uitbreiden en mooier maken. Het beste voorbeeld hiervan is het Huis van de Faun, het grootste van heel Pompeii (ongeveer 3.000 m2!). Dit huis werd gebouwd in de Samnietische periode maar onderging tijdens de verbouwingen Griekse en Romeinse invloeden. Het was zeer rijkelijk versierd en telde verscheidene mozaieken o.a. die van Dionysius op een panter, van een tragediemasker, van vissen en zeedieren en vooral de allergrootste, die van de strijd van Alexander tegen Darius. Men kent de eigenaar van de woning niet, maar het lijkt erop dat hij een van de rijkste inwoners van Pompeii moet geweest zijn.

Winkels

Zoals in onze tijd waren er ook handelsstraten met winkels, ateliers van ambachtslui en tavernes.

Omdat er aan de achterkant van de winkels dikwijls opslag- of werkplaatsen lagen, woonden de eigenaars op de bovenverdiepingen.

Winkels voor voeding bewaarden hun voorraad in amfora’s of in grote aarden kruiken die in de grond zaten (bijvoorbeeld voor graan, bloem). Pluimvee en vlees werden aan haken gehangen.

Heel wat ambachtslui hadden speciale voorzieningen nodig, zoals de leerlooiers, de wevers of andere beroepen uit de stoffenindustrie (bij voorbeeld de werkplaats van Lucius Veranius Ipseus waar de stoffen werden geperst). Sommige bewerkingen werden soms op het platteland gedaan (bij voorbeeld het wassen en ontvetten van de wol, en het spinnen).

Sommige winkels waren gespecialiseerd in een product zoals die van Fufidius Successus die verven verkocht voor de decoratie van huizen of voor het kleuren van stoffen; er waren er zelfs die maar een kleur in al haar tinten maakten en verkochten.

Inscripties, fresco’s, gereedschap en sommige huizen bevestigen ons dat er beroepen waren als die van geneesheer, schrijver, masseur, groentekweker, fabrikant van parfum en toiletartikelen, schoenmaker enz.

Het thermopoleum was een soort kroeg of cafe-restaurant dat meestal bestond uit een grote ruimte, die op straat uitgaf, en voorzien was van een toonbank, waarin grote kruiken gevat zaten voor drank en levensmiddelen. In een van zulke kroegen heeft men het geld van de kassa gevonden.

De Vulkaanuitbarsting

De getuigen

Er is een aantal getuigen geweest indertijd die wat ‘sporen’ hebben achtergelaten. Voor ons maken deze aanwijzingen het een stuk gemakkelijker om meer te weten te komen over wat er in 79 na Christus is gebeurd. De twee waarschijnlijk meest bekende getuigen waren Plinius Major en Plinius Minor. De geschiedschrijver Tacitus werkte tussen 106 en 109 na Christus aan zijn ‘Historiae’, waarin hij schrijft over de periode 69 tot 96 na Christus. Hij had daarom aan zijn vriend Plinius de Jongere gevraagd of hij informatie kon geven over de dood van diens oom Plinius de Oudere bij de uitbarsting van de Vesuvius in 79 na Christus. Plinius antwoordde Tacitus met brieven, niet alleen om aan de verzoeken van Tacitus te voldoen, maar ook omdat hij in deze brieven lof wilde zingen van zijn oom Plinius de Oudere, die bij de ramp omgekomen was. Plinius de Jongere was vanaf Misenum getuige van het angstwekkende schouwspel, waarvan de verschijning en de vorm door geen enkele boom beter kan worden weergegeven dan door de pijnboom; hij geeft er een indrukwekkende beschrijving van waarin hij dus tevens de belevenissen en het tragische eind van zijn oom Plinius de Oudere vertelt.

Een paar regels geciteerd over zijn oom uit de brief van Plinius de Jongere:

‘Het leek zoals vanzelfsprekend voor een zeer geleerd man de moeite waard om het van dichterbij te bestuderen. Hij beval een snelle galei klaar te maken en gaf me de kans mee te gaan, indien ik wilde. Ik antwoordde dat ik liever wilde verderwerken…’ (…) ‘Hij veranderde zijn plan en wat hij uit weetgierigheid was begonnen, ging hij uit heldhaftigheid tegemoet. Hij liet vierriemers uitvaren en ging zelf aan boord, (…) om velen hulp te bieden. Hij haastte zich in de richting vanwaar de anderen wegvluchtten. Hij hield koers en hij stevende recht op het gevaar af. Hij was zozeer bevrijd van angst dat hij alle bewegingen en vormen van die natuurramp zoals hij ze met zijn ogen had waargenomen dicteerde en ze nauwkeurig liet opschrijven.’ (…)”Het lot helpt de dapperen. Zet koers naar Pomponianus.”

Plinius de Oudere haastte zich om bij zijn vriend Pomponianus te komen en hem te helpen en moed in te spreken. Plinius is daar nog een tijdje gebleven en toen het gevaarlijker werd zijn ze naar het strand gegaan. Daar is hij gestikt door de dampen en gassen van de vulkaan.

‘Een brief schrijven is iets anders dan een bladzijde geschiedenis schrijven; aan een vriend te schrijven is iets anders dan voor het publiek te schrijven.’ Dit is de laatste zin in de brief van Plinius aan Tacitus en hij wil daarmee zeggen dat Tacitus er dus maar ‘iets moois’ van moet maken. Hij hoopte namelijk dat op deze manier het nageslacht van informatie over de ramp kon worden voorzien. Dit gebeurde ook, maar op een andere manier dan Plinius Minor had verwacht. Helaas is het deel van de ‘Historiae’ waarin Tacitus de brief van zijn vriend verwerkt had verloren gegaan, maar de brieven van Plinius zijn bewaard gebleven. De informatie is dus rechtstreeks uit zijn brieven gehaald.

Uit de vaak geciteerde brief, geschreven tussen 104 en 106, (no. VI 20)
een paar regels:

‘As begon te vallen, zij het nog in geringe hoeveelheden. Ik keek om: een dikke zwarte wolk kwam achter ons opzetten, die ons net als een bergstroom volgde en de aarde bedekte. “Laten we van de weg afgaan,” zei ik, “zolang we nog kunnen zien. Want anders worden we door de menigte onder de voet gelopen.” We waren net gaan zitten, toen de nacht inviel, niet zo een zonder maan en met wolken, maar het was zoals wanneer het licht in een afgesloten vertrek is uitgedaan. Je kon het huilen van vrouwen horen, het janken van kinderen, het schreeuwen van mannen. De een zocht al roepend zijn ouders, de ander zijn kinderen, enkelen probeerden ze aan de stem te herkennen. Sommigen beklaagden hun eigen lot, anderen dat van verwanten. Er waren die uit vrees voor de dood om de dood smeekten. Velen hieven hun handen op naar de goden, maar meer nog meenden dat er nergens nog goden waren en dachten dat die volstrekt nieuwe nacht voor altijd op aarde was gekomen.’

De brieven hebben niet helemaal de invloed gehad op latere tijden zoals was verwacht. Ze geven namelijk niet voldoende informatie om het hele verloop van de vulkaanuitbarsting vast te stellen. Noch Plinius de Oudere noch Plinius de Jongere is namelijk in Pompeii aanwezig geweest tijdens de uitbarsting en ze hebben dus ook geen rechtstreekse informatie kunnen krijgen over de situatie in de stad van ooggetuigen.
De brieven geven echter de gevoelens van de bevolking tijdens de uitbarsting heel goed weer. Op deze manier hebben de brieven dus ook een grote invloed gehad.

Een heel mooi voorbeeld naast de informatie die ze ons geven, is de ‘Pliniaanse eruptie’. Die uitbarsting is vernoemd naar de twee Plinii en is waarschijnlijk de meest explosieve en krachtigste van alle soorten uitbarstingen. Na een lange periode van rust kunnen Pliniaanse uitbarstingen plotseling en onverwacht ontstaan als heel taai magma met een heleboel gas ontploft in de vulkaan zelf, waarbij de kraterpijp te vergelijken is met de loop van een geweer. Een reusachtige uitstoot van gassen schiet naar boven met een zeer hoge snelheid, waarbij een enorme aswolk in de vorm van een parasol (of pijnboom) ontstaat. Ten slotte kunnen er lavastromen ontstaan en kan de hele bovenkant van de krater instorten. Pliniaanse uitbarstingen kunnen vulkanisch materiaal heel hoog de atmosfeer inblazen, wat zelfs wereldwijd kan leiden tot klimaatveranderingen.
Daarnaast is een heel praktisch gevolg van de uitbarsting geweest dat de grond die ontstond uit de door de vulkaan uitgestoten stoffen, erg vruchtbaar was. Na de uitbarsting was dat dus van groot belang voor de bevolking, die toen volop te eten had.

Was de catastrofe te voorspellen?

De ligging aan zee was uitermate gunstig voor de handel. Pompeii groeide uit tot een middelgrote welvarende stad, met 20.000 inwoners. Herculaneum had ongeveer 6000 inwoners. Overal verspreid waren kleinere steden en dorpen, en rijken uit Rome bouwden hier hun prachtige buitenhuizen. Er waren wel voortekenen van de komende uitbarsting. Er waren regelmatig aardschokken, maar daar was men aan gewend. In februari 62 na Christus was er een zeer zware aardbeving die enorme schade veroorzaakte in Pompeii en omgeving. Ondanks dit ongunstige prodigium (voorteken) greep de stad de kans aan om nieuwe bouwwerken neer te zetten, zoals de enorme centrale thermen. Een relief op een nieuw gebouwd huis na de aardbeving geeft deze gebeurtenis goed weer. Het laat zien hoe de gebouwen als dominostenen om lijken te vallen.

De uitbarsting zelf

Uit de opgravingen is bekend dat Pompeii in prehistorische tijden een aantal maal is getroffen door een eruptie van de Vesuvius. De Romeinen beschouwden de vulkaan als uitgedoofd omdat zij al vanaf 700 v. Chr. had gezwegen. De vulkaan, met akkers en bossen bedekt, is naar alle waarschijnlijkheid in de oudheid hoger geweest dan nu. De aardbeving van februari 62 kon gezien worden als een voorteken, maar niemand dacht dat de vulkaan weer ‘tot leven’ zou komen. In augustus 79 ‘ontwaakte’ zij weer en schudde iedereen flink wakker met een uitbarsting die een aantal dagen duurde. Bij deze enorme uitbarsting werden Pompeii, Herculaneum, Stabiae en Oplontis verwoest.

Hoewel er al een paar dagen enkele aardschokken waren gevoeld, maakte niemand zich daar echt zorgen om. De eruptie vond plaats rond 1 uur ’s middags op 24 augustus. Bij de explosie schoot de top uit de berg ? er zijn nu twee toppen, Monte somma en Vesuvuo ? en er kwamen giftige gassen vrij. Door deze gassen is de massa van de top verbrokkeld en er ontstond een enorme zuil van as en puin. Het leek op een zwarte paddestoel met een platte hoed die uitwaaierde en langzaam de zon verduisterde. Ongeveer een half uur later werd werd het as en puin als een stortregen over een groot gebied verspreid. Veel gebouwen zijn vanaf de 4 meter as en puin, de eerste laag, zwaar beschadigd door deze pyroclastische stroom. (dus geen lava, maar net zo dodelijk en verwoestend). Herculaneum had echter geen last van deze stortregen maar werd misschien pas op 25 of 26 augustus getroffen door het vulkanisch materiaal.

Veel mensen konden vluchten met boten van de vloot richting Misenum. Ze namen hun kostbaarheden mee en daarom zijn er weinig ‘schatten’ gevonden in Pompeii. Een aantal mensen dat dacht dat het ergste gevaar geweken was keerde terug en er waren ook een paar mensen die om wat voor reden dan ook waren achter gebleven. Er waren in ieder geval nog zo’n 2000 mensen over van de 200.000 in Pompeii en deze 2000 zijn na een verschrikkelijke nacht allemaal omgekomen. Er kwam veel vuur uit de vulkaan en de ene op de andere aardschok volgde. Het gevolg was dat een vloedgolf ontstond en omdat ook nog eens de wind verkeerd stond, was vluchten over zee uitgesloten. De zee werd door al het natuurgeweld als het ware zee-inwaarts opgestuwd en sindsdien ligt Pompeii ook niet meer aan zee.
Hierna volgde de eigenlijke uitbarsting, en een gloeiend hete golf van as, rotsblokken, zwaveldamp en vulkanische gassen stroomde over de stad. In tegenstelling tot wat veel mensen denken zijn de bewoners niet doodgegaan aan het magma, maar zijn ze gestikt door de eerder genoemde gassen en dampen.

Er werden door keizer Titus twee consuls aangesteld om eventuele achtergelaten kostbaarheden te bergen en nalatenschappen van omgekomenen af te handelen maar de praktijk was dat niemand terugkeerde en de stad, bedolven onder aarde en puin 1700 jaar lang vergeten werd.

De opgravingen

Onverstoord lag Pompeii meer dan 1 500 jaar onder massa’s stof en as, de Vesuvius bleef gedurende eeuwen en eeuwen tot aan deze dagen actief. In 1748 werden de eerste opgravingen ondernomen. De eerste opgravingen begonnen in opdracht van koningen van Napels van het huis Bourbon, deze dienden er alleen toe de stad van de meest belangwekkende kunstwerken te beroven. Deze kunstwerken vormden de basiscollectie van het grote Nationale Museum van Napels.

De Duitse archeoloog Jahann Joachim Winckelmann haalde de belangrijkste ontdekkingen. Door de 19de en 20ste eeuw heen werden nieuwe ontdekkingen gedaan. Overhaaste opgravingen in het begin van de negentiende eeuw leidde tot de ontdekking van het forum, dat echter geruineerd was.

Sommige ruines waren erg beschadigd door de bombardementen tijdens de tweede wereldoorlog, daardoor was restauratie nodig. Maar gelukkig waren de meeste opgravingen in buitengewone staat van bewaring gebleven. Dit is gedeeltelijk te danken aan Giuseppe Fiorello die in 1860 begon te werken. Hij heeft systematische en intelligente opgravingen verricht.

In de decennia hierna bereikten de werkzaamheden van restauratie en herstel een bijzonder hoog niveau en vanaf 1909 begon Vittorio Spinazzola met opgravingen die de gebouwen van het dak tot aan de funderingen herstelden. Tegenwoordig is men zelfs nog steeds aan het opgraven, de vooruitgang is jammer genoeg niet erg snel. Geldgebrek is de oorzaak. Ongeveer drievijfde van de stad ligt nog steeds bedolven onder de as.

Bij alle opgravingen was de uitzonderlijke manier waarop alles bewaard is gebleven een merkwaardig aspect. De stad werd waarschijnlijk hermetisch afgesloten door de regen van vochtige as en sintels. Vele publieke gebouwen, tempels, theaters, baden, winkels en woonhuizen werden hierdoor bewaard.

Archeologen hebben ook restanten van sommige van de 2000 slachtoffers van de vulkaanuitbarstingen gevonden. Rond de lichamen vormde zich een laag van as dat met regen vermengd was. De as heeft deze vorm gehouden terwijl de lichamen langzaam vergingen tot stof.

De meeste inwoners van Pompeii konden ontsnappen en hebben hun draagbare, waardevolle voorwerpen mee kunnen nemen. Na de uitbarsting hebben de Romeinen zelf een tunnel rond sommige waardevolle huizen heen gegraven. Op sommige plekken hebben ze zelfs marmeren muurbekledingen meegenomen. Daardoor zijn er bij de hedendaagse opgravingen weinig extreem waardevolle zaken teruggevonden.

Tegenwoordig lijkt door de geperfectioneerde manier van opgraven de stad die niet herontdekt is langzaam op wonderbaarlijke manier te herrijzen, alsof het ontwaakt uit een droom van 19 eeuwen.

Nieuwe uitbarsting

Doordat de Vesuvius een actieve vulkaan is kan hij een bedreiging zijn voor de omwonenden. De Vesuvius wordt dan ook 24 uur per dag gevolgd door wetenschappers vanuit het observatorium en door satellieten. Het hele vulkanische gebied, van Campanie tot aan de Etna (ook een vulkaan) in Sicilie, wordt bestudeerd.
Volgens bodemstudies is de vulkanische activiteit van het Vesuvius gebied 400.000 jaar geleden begonnen. 25.000 jaar geleden hebben uitbarstingen van het effusieve type (daarbij stroomt lava naar beneden) de top van de Monte Somma doen aangroeien, ongeveer tot 2.300 meter. Bijna 18.000 jaar geleden zou dan de eerste uitbarsting hebben plaatsgevonden waarbij de top ingestort zou zijn.
Tijdens de periode die erna kwam, is de Vesuvius ontstaan. Tussen 8.000 v. Chr. en 79 n. Chr. zijn er 3 uitbarstingen van het plinische type geweest en nog enkele subplinische, gevolgd door lange periodes van rust.
Na 79 n. Chr. zijn er ook nog verschillende uitbarstingen geweests. De rampzalige uitbarsting van 1631 deed de stop, die het gestolde magma gedurende 5 eeuwen gevormd had, ontploffen en vernielde de top, die nu nog maar op ongeveer 1.277 m ligt.
Tijdens de volgende eeuwen bleef de Vesuvius actief en kende naast uitbarstingen van het Stromboli-type (dit is met lava die over de flanken stroomt), korte periodes van bijna volledige rust of hevige ‘terminale’ uitbarstingen (waarbij in enkele uren een kolom gesmolten magma, vanuit de krater, verschillende duizenden meters hoog de lucht in wordt gestuwd), waarvan de laatste uit 1944 dateert.
Vanaf 1944 is de vulkaan weer in rust, maar het gestolde magma verstopt langzaam de vulkaanschouw. De vraag is wanneer deze ontploft. De bewoners maken zich niet al te veel zorgen want ze geloven in de observatietechnieken en preventie en vooral in de bescherming van God. De verantwoordelijken voor de bescherming en evacuatie van de bevolking vrezen echter het ergste. Door het observatorium, dat in 1841 opgericht werd door koning Ferdinand II van Bourbon, is de Vesuvius de eerste vulkaan die wetenschappelijk wordt bestudeerd. Op dit ogenblik is er gelukkig niets abnormaals aan de hand.
Om de veiligheid van ongeveer 1 miljoen inwoners te verzekeren werken de onderzoekers, het stadsbestuur van Napels en de burgerbescherming samen. Er bestaan evacuatieplannen maar de vraag is of ze werkelijk nuttig zijn als het erop aankomt om de bevolking te evacueren uit de drukke en smalle straten van de steden en dorpjes. Zal de vulkaan hen de tijd geven om te evacueren? Alleen de ondervinding zal het uitmaken…