Selecteer een pagina

INLEIDING

Pompeii was in 79 na christus een oude stad, gelegen in de Italiaanse landstreek die Campania heette. Gelegen ten zuiden van Rome in de baai van Napels leefde de stad van de weelderige gewassen die het vruchtbare land voortbracht en de overzeese handel daarin. De grote rivier de Sarno voorzag het gebied van water en een goede handelsroute voor boten. Akkers domineerden het landschap, en grote Romeinse villa’s stonden langs de kust. Ten noorden van Pompeii lag de Vesuvius, een sluimerende vulkaan.
Tot aan 20 augustus. De stad werd opgeschrikt door kleine schokken die de muren deden barsten en de putten deden droogvallen. Vier dagen later, op 24 augustus, barstte de hel op aarde los.
’s Ochtends vroeg rond tien uur braakte de Vesuvius lava en as uit. In de vorm van een pijnboom tekende de zwarte wolk zich op sinistere wijze af tegen de heldere hemel. In de dagen die volgden werd de stad onder een vijf meter dikke laag vulkanisch materiaal bedekt. Pompeii raakte vanuit de herinnering in de vergetelheid.
Pompeii werd herondekt in 1594 door graaf Muzzio Tuttavilla: hij wilde het water van de Sarno door een tunnel naar zijn huis laten stromen en zijn medewerkers stuitten daarbij per toeval op de stad Pompeii.
Pas in de achttiende eeuw startten de Napolitaanse onderkoningen opgravingen om waardevolle spullen uit Pompeii te ontvreemden. Weinig meer dan plunderingen waren deze expedities dan ook niet. Professioneel archeologisch onderzoek wordt gestart door de Duitser Johann Joachim winckelmann en gaat door tot op de dag van vandaag.
Pompeii ligt er nu allesbehalve uitgestorven bij. Met anderhalf miljoen bezoekers per jaar is het een internationaal vermaarde trekpleister.

INHOUDSOPGAVE

BLADZIJDE
ONDERDEEL

– 2 –
Inleiding

– 3 –
Deelonderwerp #1: De vulkaanuitbarsting

– 6 –
Deelonderwerp #1: Archeologisch onderzoek en Toerisme

– 8 –
Deelonderwerp #2: Pompeiiaans badhuis

– 9 –
Deelonderwerp #2: Pompeiiaanse theaters

– 11 –
Lc-Activiteiten

– 11 –
Bronvermelding

– 12 –
Afsluiting

– 13 –
Logboek

DE GESCHIEDENIS VAN POMPEII

Pompeii is ontstaan tegen het einde van de zevende eeuw voor Christus. De ligging van de stad is economisch gezien niet helemaal logisch: Pompeii ligt op een relatief hoog punt en is moeilijk bereikbaar. De ligging kan echter verklaard worden door strategische overwegingen: door haar hoge ligging konden de inwoners van Pompeii gemakkelijk heel de lagune die de Sarno had gevormd overzien, en kon de stad makkelijk verdedigd worden.
De Osken stichtten de stad in de zevende eeuw voor Christus en zij kwam spoedig tot grote bloei. De Griekse staat Cumae onderwierp Pompeii als eerst: het was een handige stad om de wijde omgeving in de gaten te houden en het was een herkenningspunt voor zeehandelaren. Zij bouwden een dorische tempel ter ere van Apollo. De Etrusken veroverden Pompeii in 525 voor Christus, en vestigden zich, in tegenstelling tot de Grieken, zelf in de stad, maar lieten, in tegenstelling tot de Grieken, geen sporen van bewoning na. Vanaf 474 viel de stad weer in Griekse handen, die hun oude tempel herstelden, de stad uitbreidden met een regio en haar ommuurden.
In 424 valt de stad plotseling in handen van de wilde Samnieten. Dit volk breidt de stad verder uit, zowel de woonwijken als de defensieve vestingwerken. De Oskische taal en cultuur worden in ere hersteld, tot de Romeinen hun oog laten vallen op Pompeii. De Samnieten en de Romeinen botsen aanvankelijk heftig, maar sluiten dan een bondgenootschap. Ondanks de collaborerende buursteden blijft Pompeii de Romeinen trouw tijdens aanvallen van Pyrrhus in 280 voor Christus en van Hannibal in 216. Na heropbouw na deze oorlogen maakt Pompeii een van zijn rijkste periodes door: de wereld als afzetmarkt ligt voor hun open door de contacten met de Romeinen. In maart van het jaar 90 voor Christus zijn de Samnieten de koloniale Romeinen beu en rebelleren. Een jaar later valt de stad onder de Romeinse belegering en er breekt een periode van rust aan.

DE VULKAANUITBARSTING

Al na een kwartier na de uitbarsting bereikte het puimsteen Pompeii: bedolven onder een klein laagje roet konden de inwoners besluiten de vluchten of te blijven. Twaalf uur erna was Pompeii bedekt onder een drie meter dikke laag puimsteen. In de nacht van vijfentwintig augustus, er waren nog altijd mensen aanwezig in Pompeii, begon de vulkaan gloeiende wolken van heel fijne asdeeltjes uit te braken. Tegen zes uur in de ochtend daalde met een snelheid van 200 tot 900 kilometer per uur een voor de inwoners van Pompeii fatale gifwolk neer over de stad, die alles verkoolde. Pompeii en omgeving werd bedekt door een vijf meter dikke laag vulkanisch materiaal.

Toen zweeg Pompeii als het graf: de inwoners, als ze niet waren gevlucht, werden bedolven onder het gloeiend hete puimsteen, verbrand door de gloeiend hete as of vergiftigd door de zwarte rookwolken.
De Pompeiianen reageerden gevarieerd op de ramp. Sommigen zochten bij de eerste tekenen van de uitbarstingen hun toevlucht tot een kelder om te schuilen voor de stortbui van stenen. Veel mensen stierven in hun eigen huis, dat de stortbui niet kon houden en bezweek. Anderen vluchtten naar de zee, om ergens waar het veilig was aan land te gaan: deze mensen waren kansloos. De zee smeet reusachtige vloedgolven op het strand, waardoor een ontsnapping over zee onmogelijk werd. Ook deze mensen raakten bedolven. De meeste Pompeiianen vluchtten de stad uit, de hellingen in. Deze mensen zouden de vuikaanuitbarsting overleven.

De twee bekendste getuigen van de uitbarsting van de Vesuvius zijn waarschijnlijk Plinius Major en Plinius Minor. In een brief aan zijn vriend en geschiedschrijver Tacitus beschrijft Plinius Minor de heldendaden van zijn vader. Daarbij komen zijn eigen waarnemingen van de eruptie ook aan bod. Plinius Minor beschrijft het verloop als volgt: “Een wolk steeg op (het was onzeker voor de toeschouwers die van ver toekeken uit welke berg ze opsteeg, ater kwam men te weten dat het de Vesuvius was geweest), waarvan het voorkomen en de gedaante niet beter zou kunnen worden uitgedrukt door een andere boom dan de pijnboom, want opstijgend in de hoogte met een zeer lange stam verbreidde hij zich daarna in een soort van takken. Maar ik geloof dat de wolk omhoog gedreven was door een pas opgestoken luchtstroom, en vervolgens, terwijl hij verzwakte, kwam de wolk tot stilstand of loste zich zelfs op in de breedte, door haar eigen gewicht overwonnen. Nu eens was ze helderwit, dan weer vuil en gevlekt, naarmate ze asse of aarde had opgetild.” Plinius Major vertrekt met zijn schip naar de vrouw van Tacitus om haar en anderen het leven te redden: “Er viel reeds asse op de schepen; hoe dichter ze naderden, des te heter en dichter, en dadelijk ook al puimstenen en zwartgeblakerde stenen, gebarsten door het vuur.” ’s Nachts is Plinius Major de enige persoon die rustig blijft: hij neemt een bad en gaat rustig slapen: “Intussen lichtten op meerdere plaatsen zeer brede vlammen en hoge brandhaarden op uit de Vesuvius, waarvan de gloed en helderheid nog verhevigd werd door de duisternis van de nacht. (…) Toen ging hij rusten en verzonk in een zeer diepe slaap. (…) Maar de binnenplaats van waaruit de kamer betreden werd, was zo opgehoogd – nadat ze met as en daarmee vermengde puimsteen gevuld was – dat de uitgang onmogelijk zou worden gemaakt als hij nog langer in de slaapkamer bleef.” Uit het laatste citaat blijken duidelijk de asregens die de omgeving van Pompeii teisterden.

ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK

Na de herontdekking van Pompeii in 1594 startten de Napolitaanse onderkoningen, aangemoedigd door Oostenrijk, het land dat toentertijd de scepter zwaaide over Zuid-Italië, plunderingsacties. Ze lieten tunnels graven om de beelden te roven, zonder daarbij de overige bebouwing van Pompeii intact te laten.
Dit soort opgravingen wordt hervat als Karel de Derde, ene Rocque de Alcubierre uit Spanje laat komen. Deze man voorziet Karel van beelden en andere kunst uit Pompeii, en krijgt het voor elkaar dat in 1748 het eerste stadsdeel wordt opgegraven, om vervolgens weer dichtgegooid te worden omdat Alcubierre liever in Herculaneum wil graven. In 1754 worden de opgravingen weer hervat. In 1757 wordt de villa van Julia Felix opgegraven en weer dichtgegooid.
De belangstelling voor de oude teruggevonden stad neemt toe. Johann Joachim Winckelmann protesteert tegen de heersende chaos bij de opgravingen, en Karl Weber stelt daarom voor de stad systematisch op te graven. Men ontdekt een herberg, een mausoleum en de graftombe van prinses Mamia. De opvolger van Weber legt in 1764 het Odeon, het Kleine Theater en de Tempel van Isis bloot en in 1767 wordt de Gladiatorenkazerne opgegraven. In deze tijd was men vooral op zoek naar waardevolle kunst en juwelen.
Dan, van 1770 tot 1815 wordt het tempo verhoogd omdat de vorsten van Europese landen hun naam willen geven aan de opgegraven gebouwen. Beroemde mensen zoals Goethe bezoeken Pompeii. In 1798 beveelt de Franse generaal Championnet, wiens troepen Napels hebben bezet, dat de opgravingen moeten doorgaan. In 1806 geeft Joseph Bonaparte de Corsicaan Christophe Saliceti de leiding van de werkzaamheden. Twee jaar later heersen Murat en koningin Caroline over Napels. Zij financieren van hun eigen geld de bespoedigde blootlegging van Pompeii. Hun archeologen leggen de stadsgrenzen vast en een deel van de stadsmuur bloot.
La Vega wordt in 1818 opgevolgd door Antonio Bonnucci, en het tempo van opgraven zakt. Vijf jaar later, in 1823 zijn het Forum, de theaterwijk, de wijken in de buurt van de Poort van Herculaneum en het Amfitheater volledig opgegraven, terwijl men bezig is met straten, huizen en muren. In 1824 worden de Tempel van Fortuna Augusta en de Forum-Thermen afgegraven. Frans de Eerste laat een bakkerij en het Huis van de Tragische Dichters blootleggen, terwijl zijn broer, die na hem de troon van Napels bestijgt, het Huis van de Faun tevoorschijn tovert uit de tufsteen. Garibaldi trok in 1861 Napels binnen en bood Alexandre Dumas de leiding van de opgravingen aan, tijdens wiens gezag over Pompeii niet veel gebeurt. De Italiaanse koning schoof toen Giuseppe Fiorelli naar voren. Onder zijn leiderschap werd voor het eerst professionele archeologie bedreven: de opgravingen werden geregistreerd en
Hij stelde een plan op waarin meer dan vijfhonderd medewerkers betrokken waren. Fiorelli gaf Pompeii zijn gangbare indeling. Om te voorkomen dat huizen ineenstortten, lokaliseerde hij eerst het dak, om vervolgens het huis vanaf het dak uit naar beneden uit te graven. De mysterieuze holtes in het vulkanische gesteente, zo ontdekte hij in 1863, waren afkomstig van de organismen die erin weggerot waren. Door deze gaten op te vullen met gips en ze dan voorzichtig uit te hakken, kreeg hij een ontzagwekkend goede indruk van de laatste momenten uit het leven van de in de stad achtergebleven Pompeiianen. Hij liet een Bordeel, een bakkerij en het Huis van de bankier Caecilius Jucundus afgraven.
Onder leiding van Michele Ruggiero, een vroegere medewerker van Fiorelli, werden de nog niet voltooide Centrale Thermen, het Huis van het Eeuwfeest, een hoop insulae en een massa graven blootgelegd, en werden zeshonderd schilderingen, het Huis van de Zilveren Bruiloft en het Huis met het Scheve Balkon gerestaureerd.
Giulio de Petra nam het vaandel over. Tijdens zijn opgravingen van 1893 tot 1910 werden het Huis van de Vettii, het Huis van Lucretius Fronto, de Villa der Mysteriën, de noordelijke stadswijken, resten van een tempel gewijd aan Venus Pompeiana, twee torens van de stadsmuur en de voorstad Pagus Augustus Felix Suburbanus opgegraven en gerestaureerd. De Petra hield zich vooral bezig met restauraties van daken, overkappingen van de atriums en de zuilengalerijen en de binnentuinen van de villa’s.
Tijdens De Petra’s leiding zette de historicus Ettore Pais de opgravingen tussen 1901 en 1906 voort: hij legde de noordelijke wijken en het Huis van Obellius Firmus bloot, ontdekte de Poort van Vesuvius en de watertoren van de stad. Dörpfeld en Mau nemen het Theater voor hun rekening. Antonio Sogliano (1905-1906) wijdt zich vooral aan het restaureren en conserveren van de opgravingen, daarbij gebruik makend van een wijd arsenaal aan technieken.
Vittorio Spiazolla, de hoofdarcheoloog van 1910 tot 1924, concentreert zich op het zuidelijke gedeelte van Pompeii en ontdekt zo de Vollerij van Stephanus, de Herberg van Asellina, het Huis van Paquius Proculus en meer.
Amedeo Maiuri’s grootste verdienste zijn zijn goed opgezette opgravingen tussen 1924 en 1961. Hij is de eerste wetenschappelijk verantwoord te werk gaande archeoloog, opgevolgd door de Franciscis, Zevi en Cerulli.

BADHUIZEN

In Pompeii liggen vier grote badhuizen: de Centrale Thermen, de Forumthermen, de Stabiaanse thermen en de thermen bij het amfitheater. Sommige rijke Romeinen stelden hun eigen badgelegenheden ter beschikking voor het publiek, dus met acht- tot tienduizend inwoners had Pompeii een aanzienlijke badcapaciteit.
De Stabiaanse thermen zijn het oudste: ze zijn gebouwd in de tweede eeuw voor Christus en werden ingrijpend verbouwd rond 70 voor Christus. Er was een gescheiden mannen- en vrouwenbad. De Centrale Thermen dateren van vlak na 80 voor Christus. Deze thermen zijn nooit voltooid. Wat opvalt aan deze thermen is dat het frigidarium ontbreekt.
Als men de Stabiaanse thermen binnenkwam trof men een zeer ruime binnenplaats aan met zuilengalerijen aan drie kanten: de sportplaats, met aan één kant de hardloopbaan. Hier kon men desgewenst aan sport doen om het baden zelf aan te vullen. In de kleedruimte naast ontvangsthal kon men de kleren achterlaten in daarvoor bestemde nissen. Vanuit die kleedruimte kon men zich begeven naar een koudwaterbad of naar een lauwwaterbad, en van hier uit kon men naar een heetwaterbad gaan. Er kon een bezoek gebracht worden aan de latrines of aan het zwembad.
Om het gevoel van een Romeins badhuis compleet te maken volgt hier een schets van een dagelijks bezoek aan het gezellige Stabiaanse badhuis. Een fijn bad vergt een goede voorbereiding: je neemt handdoeken mee voor afzonderlijke lichaamsdelen, een flesje olijfolie en een strigilis, een sikkelvormig hol instrument van ijzer of brons, en sapo, een mengsel van geitenvet en as van beukenhout. Als je rijk bent neem al je personeel mee, plus een hoop dure cosmetische middeltjes. Nadat je rond drie uur ’s middags bent aangekomen in de Stabiaanse thermen, jezelf naar de latrines hebt begeven om met je vrienden gezellig ontlastend te praten, kleed je je uit in de kleedruimtes (apodyterium), laat je jezelf insmeren met je olijfolie, gemengd met puimsteen. Dan begeef je jezelf naar het sportveld (palaestra), waar je na een goede warming up je spieren goed traint (want: mensa sana in corpore sano, een gezonde geest in een gezond lichaam). Als je wil kun je ook je conditie trainen op de hardloopbaan. Dan schraap je jezelf goed schoon met je strigilis. Dan kan het baden beginnen. Om rustig te beginnen laat je jezelf zakken in het lauwwaterbad (tepidarium). Dan stap je over naar het warmwaterbad (caldarium), waar je je lichaam grondig schoonspoelt, en je verlaat de baden weer via het koudwaterbad (frygidarium). Eventueel kun je zwemmen in het zwembad (natatio). Dan droog je jezelf nauwkeurig af en laat je jezelf door slaven insmeren met je middeltjes.

THEATERS

Pompeii was in het bezit van een groot theater, een klein theater (odeum) en een amfitheater. Deze theaters komen hieronder allen een keer aan bod.
Het grote theater grensde aan het driehoekige forum. Het kon minstens de helft van heel Pompeii herbergen. Oorspronkelijk waren de toneeluitvoeringen, net als in de Griekse cultuur, godsdienstig van aard en daarom liggen de tempels van zowel Herakles als Isis als Zeu Meilichios dicht in de buurt van het theater. Dit theater ligt in een diepe, halfcirkelvormige kuil (cavea) tegen de wanden waarvan de zitplaatsen voor de toeschouwers oplopen. Langs de rechte kant van de cavea bevond zich een lang, houten toneel (pulpitum) met aan weerszijden kleedkamers en vertrekken om kostuums op te bergen. Boven het toneel was een hellend dak aangebracht om het geluid naar de toeschouwers toe te kaatsen. Het pulpitum was twee verdiepingen hoog, met schilderingen die een mooi paleis moesten verbeelden. Door drie deuren in dit houten schot konden acteurs opkomen en afgaan. Als de zon fel scheen kon men de velum ophijsen: een groot zeil dat de toeschouwers aangename schaduw bezorgde. Soms werden de bezoekers getrakteerd op sparsiones: waarschijnlijk werd het publiek besprenkeld met geparfumeerd water, maar het zou ook kunnen betekenen dat het publiek kleine presentjes uitgereikt kreeg. De Deux ex Machina ontbrak niet, en zijn tegenhanger ook niet: de trap van Charon. De Deus ex Machina liet een acteur als een god uit de lucht op het podium neerdalen, terwijl de trap van Charon de acteur in de onderwereld bracht.
Je plaats in het theater werd bepaald door je rang. Hoe hoger je rang, des te lager je plaats in het theater .

Naast het grote theater van Pompeii lag het Odeum. Dit kleine theater voor 1000 tot 1500 man was tussen 80 en 75 voor Christus gebouwd door de burgemeesters Caius Quinctius Valgus en Marcus Porcius. Voor een betere akoestiek had het Odeum een houten dak. De elite van Pompeii kon zo in alle rust genieten van concerten en lezingen.
In de zuidoosthoek van de stad lag het amfitheater, gebouwd in 80 voor Christus. In dit amfitheater werden de beroemde en beruchte gladiatorenspelen gehouden.
Deze gladiatorengevechten vinden waarschijnlijk hun oorsprong in een Etruskisch begrafenisritueel waarbij een geblinddoekte misdadiger door een beest in stukken werd gescheurd. Onder de Samnieten ontwikkelde dit ritueel zich verder, want al uit de vierde eeuw voor Christus zijn Samnitische grafschilderingen bekend die gladiatorengevechten laten zien. Samniet en gladiator zijn lange tijd synoniemen geweest; later duidde men een bepaald soort gladiator aan als Samniet.
Met zijn 20 000 zitplaatsen bood het amfitheater van Pompeii plaats aan meer dan twee keer de bevolking van de stad, zodat de voorstellingen ook toegankelijk waren voor niet-Pompeiiaanse geïnteresseerden. Het gebouw is gefinancierd door dezelfde burgemeesters als het Odeum. Hij had een vrij lage buitenmuur waartegen monumentale trappen waren aangebouwd; deze leidden naar een onoverdekte, acht meter brede rondgang die toegang gaf aan de bovenste zitplaatsen. Het middelpunt van het amfitheater bestond uit een ovale met zand bedekte (h)arena.
Een twee meter en achttien centimeter hoge muur scheidde het publiek op de tribunes van het bloedige spektakel beneden. Evenals in het grote theater waren de schuin oplopende zitplaatsen in drie rangen onderverdeeld: de voorname bezoekers togen naar beneden naar de ima cavea, de middenstanders nam plaats op de media cavea en het gewone volk nam plaats op de summa cavea.

LC-ACTIVITEITEN

Met Hilde de Bruijn uit V5c, die ook Pompeii als onderwerp heeft, heb ik gesproken over elkaars deelonderwerpen en bronnen.
De deelonderwerpen kwamen met elkaar overeen, maar
Wegens haar overschot aan boeken (één exemplaar dubbel) kon ik er een (namelijk Pompeji, uitgeverij Atrium / Terrail) van haar lenen, en van haar heb ik ook het webadres www.pompeii.tk gekregen.

BRONVERMELDING

http://nl.wikipedia.org/wiki/Pompeii
http://commons.wikimedia.org/wiki/Pompeii
http://www.pompeii.tk
http://hosting.alias.nl/msa/AMSTEL/www/Projecten/pompeii.html
http://www.mathibus.com/specials/vesuvius.doc
http://planetjeff.net/isis/verbage/background.html

• Pompeji
Uitgeverij Atrium / Terrail
Erich Lessing & Antonio Varone
ISBN 40006005934
• Pompeji, bedolven stad
Uitgeverij Unieboek b.v.
Robert Etienne
ISBN 40470036050
• Pompeji (uit de mediatheek)

AFSLUITING

Over het onderwerp “Pompeii” valt een schat aan informatie te vinden, zowel in boeken als op internet. Dat is fijn, maar er zitten ook nadelen aan vast: hoe uitgebreid ook, mijn werkstuk voelt onvolledig omdat ik er nou eenmaal niet alles in heb kunnen verwerken.
De samenwerking met Hilde de Bruijn heb ik erg kunnen waarderen, maar voor de rest heeft dit werkstuk me geen vreugde opgeleverd. Dit was, eerlijk gezegd, het vervelendste werkstuk tot nu toe. Van het begin tot het einde heeft het me gekweld (heb ik mezelf gekweld): geen zin om te beginnen, tijd verdoen, dan te laat beginnen en zitten stressen en het niet afkrijgen.
Maar wat ik het meest betreur aan dit werkstuk is dat het zo onvolledig is. Door de bijna onbeperkte hoeveelheid beschikbare informatie (waar laat je het?) kan het bijna niet anders aanvoelen dan onvolledig, maar helaas is er meer. Door slechte, echt sléchte planning heb ik mijn voorgenomen villa’s en tempels van Pompeii niet meer kunnen opnemen in het verslag. Dat maakt de onvolledigheid compleet. Ik ben niet tevreden over het verslag.