Selecteer een pagina

[b]Roeiinstructies: tijdens het roeien[/b]

Tijdens het roeien moet je de volgende regels in acht nemen:
– Houd altijd stuurboord wal; alle schepen, ook kano’s en roeiboten, die in een rechte lijn de stuurboordzijde van het vaarwater of de vaargeul houden, hebben voorrang op andere schepen die deze rechte route willen kruisen. Let wel, als het andere schip een groot schip is (meer dan 20 meter), gaat deze regel niet op.

Commando’s:
Luister altijd naar de commando’s van de stuurman/vrouw; reageer onmiddellijk. In ongestuurde boten geeft de boeg de commando’s. De volgende commando’s worden gebruikt op het water:
– Bak/stuurboord klapje op: een boord haalt met alleen de armen om de boot in de goede positie te leggen.
– Bak/stuurboord strijken: een boord strijkt om de boot in de goede positie te leggen.
– Beide boorden halen: als de boot voorzichtig moet bewegen.
– Beide boorden strijken: idem.
– Slagklaar maken: bij de in- of uitpik klaar gaan zitten met de bladen plat op het water.
– Slagklaar (bladen verticaal draaien) … Go: beginnen met de roeihaal.
– Laat… Lopen: stoppen met roeien na de uitpik, bladen plat op het water.
– Houden… Nu: de boot tot stilstand brengen door de bladen verticaal in het water te zetten. Dit commando wordt ook in noodsituaties gebruikt. Aan de intonatie van de stuurman valt meestal af te leiden heo ernstig de situatie is en hoe snel er gestopt moet worden.
– Rondmaken over bak/stuurboord: bij rondmaken over bakboord strijkt bakboord en haalt stuurboord, om en om tot de boot in de gewenste positie ligt. Het gaat het snelst wanneer men om en om strijkt en haalt, en goed gelijk met de stuurboord dan wel bakboordslag.
– Bedankt: het commando dat werd uitgevoerd is afgelopen.

– Omkijken en vooruitzien: stuurlieden moeten goed voor zich uit kijken en hun koers aanpassen aan de situatie. Roeiers in ongestuurde nummers moeten voortdurend omkijken. Let vooral op drijfhout, steigers, dukdalven, bruggen en tegenliggers.
– Voorrang: voorrangsvolgorde:
1. Beroepsvaart
2. Schepen langer dan 20 meter
3. Zeilboten
4. Roeiboten/kano’s
5. Pleziervaart < 20 meter In een situatie met twee boten van dezelfde categorie heeft de boot van stuurboord voorrang. Alle schepen op een hoofdwater hebben voorrang op een schip dat uit een nevenwater komt. - Waarschuwen: in geval van gevaar andere ploeg aan roepen met boottype of vereniging. Bijvoorbeeld: "Skiff, omkijken!" Of "Nautilus, houden!". - Duidelijkheid: als je moet wijken, maar ook wanneer je van koers verandert, zorg ervoor dat dit vooral duidelijk gebeurt. Als een ander vaartuig voor je moet wijken, ben je verplicht koers en snelheid aan te houden, omdat dit duidelijkheid geeft aan de andere watersporter. - Goed zeemanschap: er doen zich op het water soms onverwachte situaties voor die totaal anders zijn dan in theorie. In zulke gevallen komt het aan op "goed zeemanschap". Gebruik je verstand, vermijd gevaar en laat tijdig zien wat je vna plan bent. - Aan lager wal raken: als je door de wind in de kant wordt geblazen, blijf dan altijd rustig en probeer voorzichtig uit te zetten met je riemen. Altijd schade aan de boot of de riemen voorkomen. Stap desnoods uit. - Omslaan in een skiff: probeer niet vanuit het water weer in je skiff te klimmen als je niet weet hoe dit moet. Zwem eerst met de boot en de riemen naar het vlot of de kant en stap daar in. - Aanleggen: nader het vlot onder een hoek van ongeveer 30 graden. Laat ruim op tijd lopen en til de bladen aan de vlotzijde op (overhellen naar bakboord). Vervolgens op commando houden met de riemen aan de waterzijde. De boot zal nu parallel aan het vlot komen te liggen. De boot met de handen afhouden.