Selecteer een pagina

Gegevens

Auteur: Sera Anstadt
Titel: Al mijn vrienden zijn gek
Druk: negende, 1985
151 bladzijden

Samenvatting

Raf is nu dertig jaar oud, een teruggetrokken, ernstig gestoorde jongen die soms nog met een melancholieke glimlach aan vroeger denkt. Hiermee begint het boek Al mijn vrienden zijn gek, geschreven in dagboekvorm vanuit het perspectief van de moeder Sera Anstadt over haar zoon Raf Keller. Zij beschrijft zijn leven vanaf het moment dat zijn leven over werd genomen door zijn schizofrenie.

Kleine afwijkingen in zijn gedrag op jonge leeftijd wijzen al op de aanwezigheid van de ziekte, die zich openbaart rond zijn vijftiende jaar. In de eerste fase van zijn ziekte begint hij rond te zwerven op straat in zijn woonplaats Amsterdam. Vervolgens blijft Raf apathisch in zijn bed liggen en leeft ’s nachts. Zijn moeder weet zich geen raad meer en belt de GGD. Hier wordt ze onfatsoenlijk te woord gestaan en niet geholpen.

De ziekte van Raf wordt van kwaad tot erger totdat Raf er zelf ook achter komt en zich laat op nemen in Paviljoen Drie, de eerste inrichtingen in een lange serie. Maar in deze inrichting gaat het nog slechter met Raf. Na vier maanden zou hij naar een inrichting gaan, gelegen buiten de stad met veel frisse lucht en bewegingsvrijheid.

In zijn nieuwe omgeving gaat het na twee maanden weer erg slecht met Raf maar hij kan zich redelijk goed gedragen door de medicijnen die hij krijgt. Na een jaar vindt de inrichting dat Raf weer naar de maatschappij moet terugkeren en daartoe in de weekends thuis te zijn. Dit gaat een tijdje goed, maar na een inzinking wisselt Raf van inrichting.

Weer wordt hij dus opgenomen. Maar nu een inrichting waar hij het erg naar zijn zin heeft: inrichting Buiten Oord. Hij kan daar van alles doen: gitaar spelen (in zijn denkbeeldige band spelen), creatieve therapieën volgen, door de lange gangen dwalen enzovoorts. Maar na een verblijf van tweeëneenhalf jaar in Buiten Oord moet Raf en worden uitgezet. Hij wordt oud en men ka hem ook bijna niet meer handhaven zonder medicijnen. Raf is woedend en teleurgesteld.

Na drie weken huiselijke chaos maakt hij weer van de dag een nacht. Het gaat beter met Raf en hij krijgt vrienden in de jeugdsociëteit. Maar na enkele jaren kan Raf het niet meer aan en besluit zich weer op te laten nemen. Ditmaal in de Berg Kliniek, waar hij wordt behandeld met gewone medicijnen.

Omdat hij het niet meer kan uithouden, komt hij weer thuis en leert Heleen, een meisje van zijn leeftijd kennen. Ze worden verliefd en gaan samen wonen. Een tijdje gaat dit goed totdat Raf een oude vriend ontmoet, teveel met hem omgaat en zijn relatie verwaarloost. Heleen wordt ook ziek: dan blijkt dat zij net zoals Raf ook al in een psychiatrische inrichting had gezeten. Ze kan Raf en haar eigen situatie niet meer aan en ze laat zich opnemen. Nu Heleen weg is staat Raf er weer alleen voor en ook hij wordt weer ernstig ziek.

Maar na een tijdje wil Raf zich weer laten opnemen omdat hij thuis erg eenzaam is. Hij wilde mensen met dezelfde ziekte in zijn omgeving hebben. Ditmaal komt hij terecht in Santpoort. Ook hier heeft hij het niet naar zijn zin en gaat weer thuis wonen. Na een opname in Eden Oord, waar hij vier maanden verblijft, geeft hij bij thuiskomst niet eens redenen voor zijn thuiskomst: hij lacht alleen maar cynisch.

Zijn moeder kan er niet meer tegen om met het wrede onmenselijke wezen in een huis te leven en als Raf haar in een woedeaanval een klap geeft, regelt ze een eigen woning voor hem. Raf blijft er een week maar is te afhankelijk van zijn moeder.

Na de zoveelste inzinking weigert Raf te eten. Met behulp van haar eigen psychiater krijgt Rafs moeder het geregeld dat haar zoon voor het eerst gedwongen wordt opgenomen in de Bertus Kliniek op grond van levensbedreigende toestanden thuis. Eindelijk heeft Rafs moeder het gewonnen van het ijskoude ambtelijke apparaat dat hun zo slecht heeft geholpen.

Verwerkingsopdracht

De twee belangrijkste personages zijn Raf Keller en zijn moeder Sera Anstadt. Hun uiterlijk maar vooral hun innerlijk wordt hieronder besproken.

Raf is populair: hij ziet er goed uit, met zwart krullend haar, grote donkere ogen en brede schouders. Hij doet veel aan sport, studeert goed en speelt gitaar. (bladzijde 7)

Raf is een extreem gevoelige jongen, wat zijn moeder al in zijn prille jeugd merkt: “Maar hij bleef een overgevoelig kind. Als ik ’s avonds voorlas reageerde hij angstig bij treurige of griezelige verhalen en deed zijn vingers in zijn oren. Sabina maakte zich er bezorgd over. ‘Raf, het is zó weer afgelopen,’ zei ze dan. ‘Ik zal je waarschuwen als je weer luisteren kunt.’” (bladzijde 9)

Dat hij zo overgevoelig is blijkt ook uit het volgende fragment, waarin Raf zich nogal druk maakt om wat een van zijn vrienden is overkomen: “In die tijd hoorde ik dat een van Rafs beste vrienden uit de soos een acute psychose had gekregen en in een psychiatrische inrichting was opgenomen. Raf reageerde daar met een ernstige depressie op. Hij at bijna niet meer en zat weer uren zwijgend voor zich uit te staren.” (bladzijde 45)

Raf is ook hulpvaardig, wat blijkt uit de volgende passage uit een periode waarin Raf met een vriend het Avondgymnasium bezoekt: “Toen Eddy binnen een half jaar weer een inzinking kreeg en niet meer uit zijn bed kwam, gingen ze beiden niet meer terug. Raf, die van nature behulpzaam was, ging dagelijks naar Eddy toe, vertelde hem verhalen over de Melkweg, een jeugd-sociëteit bij het Leidseplein, en nam lekkers voor hem mee om hem in een betere stemming te brengen.”

Ten slotte: Rafs ziekte is erfelijk, aangeboren en dus een karaktertrek. Dat hij schizofreen is, valt al op jonge leeftijd te merken: “Op een dag hoorde ik plotseling dat Raf een plaat van Bob Dylan, die hij vroeger ook vaak gespeeld had, draaide. Daarna ging hij onder de douche, iets dat in geen weken meer was gebeurd. De volgende dag kwam hij aangekleed de kamer binnen en zei dat hij wat opgeknapt was en over een paar dagen waarschijnlijk weer naar school zou gaan. Ik begreep hieruit dat hij niet besefte hoe lang hij buiten de werkelijkheid had geleefd en niet wist dat hij al een half jaar niet meer naar school was geweest.” (bladzijde 21)

In een later stadium hallucineert Raf veelvuldig en komt zijn ziekte duidelijk naar voren: “Op een avond toen Sabina en Raf over hash aan het praten waren, zei Raf: ‘Drugs zijn helemaal niet nodig om high te worden. Vóór ik naar de Delta Kliniek ging sliep ik gewoon een paar nachten niet en dan kreeg ik vanzelf mooie voorstellingen. Eén keer zag ik alles in mijn kamer in prachtige kleuren, die langzaam een groot vuur werden, in geel, oranje, rood, allerlei kleuren blauw en paars. Langzaam veranderden die vlammen in figuren, het was prachtig. Net engelen uit de bijbel. Ze vlogen langzaam door de kamer. ‘Hoe kan je nachten wakker blijven?’ vroeg Sabina verwonderd, ‘ik krijg na één nacht laat naar bed gaan al ontzettende slaap.’ ‘Dat weet ik niet. Eerst kan je niet slapen en dan merk je dat je mooie dromen krijgt als je wakker ligt en dan wil je wakker blijven om die mooie dromen weer te zien. Dan slaap je steeds langer overdag.’ Hij hield plotseling op en zijn glimlach verdween. ‘Later waren de dromen niet altijd meer zo prettig,’ ging hij verder. Weer zweeg hij en keek nadenkend voor zich uit. Tenslotte zei hij: ‘Nu ben ik er bang voor.’ (bladzijde 44 en 45)

Maar in onderstaand fragment manifesteert zijn ziekte zich nog het meest geprononceerd aan de buitenwereld: “Raf liep heen en weer door de gang met zijn ene hand slap omhoog, sprak onsamenhangende woorden die ik niet kon verstaan en schonk weinig aandacht aan mij. Steeds als hij langs me kwam zei hij iets tegen me alsof hij zich ervan bewust was dat hij me niet helemaal kon negeren. Hij zei dan: ‘Je bent er, hè?’ en liep dan weer verder. De tweede keer zei hij, meer tegen zichzelf dan tegen mij: ‘Dat is ze, ze is…’ Het maakte me duidelijk dat hij met gedachten bezig was die met mij in verband stonden. Toen hij weer langskwam vroeg ik: ‘Waarom kom je toch niet even zitten, Raf. Het is een heel eind om naar je toe te komen.’ Dat laatste sprak hem aan. Hij kwam naast me zitten. Ik vroeg hem waar de patiënten huisden en hij keek me wazig aan, maar toen ik het nog eens met nadruk vroeg werd hij wat helderder. ‘Hier op de gang,’ zei hij.” (bladzijde 107)

Sera Anstadt is het tweede belangrijke personage. Omdat het verhaal in dagboekvorm is geschreven en alleen handelt over (haar gevoelens jegens) haar zoon Raf, vertelt Sera Anstadt niets over haar uiterlijk, en niets over haar vrienden, werk of hobby’s, op het feit na dat Hans Keller haar gescheiden echtgenoot is. Hoewel het dagboek voornamelijk gaat over Raf, kan de lezer uit haar persoonlijke verhaal wel een voorstelling van haar karakter maken.

Dat Sera engelengeduld bezit, blijkt op paradoxale wijze uit het volgende fragment, waarin ze haar geduld verliest, na zoveel hartverscheurende situaties die Raf haar aandoet: “’Weten ze dat je komt?’ vroeg ik. ‘Het is al zo lang geleden.’ Hij keek me geringschattend aan. ‘Ik gá,’ zei hij op afgemeten toon. Een dag voor de school zou beginnen zocht hij zijn boeken bij elkaar en deed ze zorgvuldig in zijn tas. De volgende ochtend kwam hij op tijd zijn bed uit en ging met mij ontbijten zonder iets te zeggen. Toen het tijd voor hem werd om te vertrekken merkte ik dat hij geen aanstalten maakte. ‘Raf,’ zei ik, ‘je moet gaan.’ Hij keek me weer met die koude, bijna duivelse glimlach aan en zei tussen zijn tanden: ‘O, dacht je dat.’ Toen raakte ik mijn zelfbeheersing kwijt. ‘Nu is het genoeg,’ schreeuwde ik. ‘Dit afschuwelijke leven hou ik niet meer vol. Nou moet je doorzetten en je niet zo onmenselijk gedragen.’ (…) Door de koude, uitdagende blik waarmee hij me aankeek, was bij mij geen plaats meer voor medelijden. Ik voelde me ijskoud worden. Een onbedwingbare woede maakte zich van mij meester. Ik zocht om me heen, pakte een zware asbak en gooide deze regelrecht naar zijn hoofd. Zijn schouders trokken omhoog en hij greep met beide handen naar de pijnlijke plek, zonder geluid te maken.” (bladzijde 27)

Net als haar zoon is ze behulpzaam. Dat blijkt duidelijk uit het volgende fragment: “Als ik van mijn werk naar huis ging, nam ik librium om mijn moed te ondersteunen en Raf niet het gevoel te geven dat ik zoveel last van zijn ziekte had. (…) Ik wilde proberen een beetje kleur te geven aan het treurige leven dat hij leidde.” (bladzijde 77)

Verder is Sera een stabiel persoon die de loodzware last van haar thuissituatie op de eigen schouders torst, een doorzetter, die Raf steeds weer in huis neemt en steeds weer een nieuwe inrichting zoekt, een in stilte lijdende vrouw.

Vanzelfsprekend bestaat er een relatie tussen Sera en Raf: zij is de moeder, hij is de zoon, dus ze hebben een ouder-kindrelatie; een moeder-zoonrelatie. Het is dus logisch dat ze van elkaar houden.

Bij beiden komt dat naar voren in bijvoorbeeld de volgende passage, waarin zijn moeder haar mening geeft over Rafs gedrag: “’ik vind dat je in de regel heel lief voor me bent. Ik kan me nog herinneren dat je, toen je ongeveer een jaar of vijf was, tegen me zei: “Jammer dat ik zo een klein mamaatje heb. Ik zou zo graag een stoute jongen willen zijn maar dat kan niet.” Dus toen was je ook al lief voor me.’” (bladzijde 13)

In heel het boek leunt Raf door zijn ziekte, terwijl Sera ondersteunt door zijn ziekte. Dat blijkt onder andere uit het volgende fragment: “Het nu steeds wisselende beeld in Rafs ziekte maakte het voor mij onmogelijk door te gaan met dingen die gedaan moesten worden. Zelfs het werken buitenshuis werd een probleem, nu Raf zich soms plotseling zo agressief gedroeg en met alles ging smijten. Ik kreeg voor mezelf kalmerende pillen waarvan ik ruimschoots gebruik maakte, maar ik kon daar niet meer doorgaan. Ik besloot dokter Van Aken op te bellen.” (bladzijde 70)

Sera raakt geleidelijk vermoeid door de grillen van haar schizofrene zoon: “De gedachte dat ik Raf weer thuis zou krijgen maakte me bang, maar er was geen andere oplossing. (…) Maar het werd al gauw duidelijk dat het zonder medicijnen helemaal niet ging. Raf vloekte in zichzelf, huilde, lachte, gierde, schopte meubels kapot en smeet met kopjes.” (bladzijde 69)

Uiteindelijk wil Sera logischerwijs graag van haar niet te handhaven zoon af. Hij is een blok aan haar been en beneemt haar ook nog eens alle levensvreugde door zijn onvoorspelbare en trieste gedrag, zonder hoop op herstel: “Na al die jaren was ik moedeloos geworden, soms op het onverschillige af. Ik had geen enkele hoop meer. Ik was me er nu duidelijk van bewust dat ik de moeilijkheden zelfs moest kunnen dragen.” (bladzijde 76)

Op een gegeven moment blijkt dat Raf ziekelijk veel van zijn moeder houdt. Ook dit is, gezien vanuit het perspectief van een schizofreen, begrijpelijk: van haar is hij volkomen afhankelijk: “Op Oudejaarsavond kwam hij voor twee dagen thuis. Hij zag er rustig uit. Er was een ontspannen glimlach op zijn gezicht. Hij ging zitten en wachtte tot ik zat. ‘Er is iets wonderlijks gebeurd,’ zei hij toen. ‘Ik heb jou in een andere verschijning ontmoet.’ Ik vroeg hem of hij daarover iets kon vertellen en hij begon geconcentreerd te praten. ‘Ik liep met jou op het strand,’ zei hij. ‘Het weer was mooi. Jij ook. We liepen lang te wandelen. Het werd stil en een beetje donker. Jij bleef staan en vroeg me je intens te kussen. Toen ik dat deed ging ik langzamerhand helemaal naar binnen in je buik.’” (bladzijde 118)

Ook voelt Raf zich schuldig tegenover zijn moeder. Met zijn gave om mensen te doorgronden voelt hij haarfijn aan hoe Sera lijdt onder zijn ziekte. Dit uit zich onder andere in verheerlijking van haar: “Soms als we met elkaar spraken idealiseerde hij mij op een manier die me onbehaaglijk aandeed. Ik was de beste, de interessantste, mooiste en verstandigste moeder. Ik heb vaak het gevoel gehad dat hij me daarmee duidelijk wilde maken dat hij gehecht aan me was.” (bladzijde 116)

Maar Rafs gevoelens jegens zijn moeder hebben een keerzijde. Sera moet zich meermalen noodgedwongen van hem distantiëren om zich het leven draaglijk te maken. Daardoor voelt Raf zich in zijn naïviteit door haar in de steek gelaten. Dit blijkt uit het volgende fragment, waarin Sera’s psychiater Rafs handelen analyseert: “Raf weet zich geen raad met zijn agressie tegenover u. Hij lijdt onder zijn schuldgevoelens. Hij is afhankelijk van u, zou lief voor u willen zijn, maar voelt zich toch door u in de steek gelaten. Het moet voor hem een grote schok geweest zijn dat u hem niet meer bij u wilde hebben en probeert een huis voor hem te vinden. Zijn geweten zegt dat hij lief voor u moet zijn, maar zijn wraakzucht, die zich in agressie uit, dwingt hem tot het tegendeel.” (bladzijde 128)

In zo’n relatie spelen de karaktereigenschappen van de betrokken personen een belangrijke rol. Sommige zijn goed voor de relatie, anderen minder goed of ronduit slecht.

Al klinkt het cliché: de liefde voor elkaar is de meest waardevolle eigenschap van hun relatie. Raf keert steeds terug naar huis van zijn door schizofrenie noodgedwongen zwerftochten, tot een kibboets in Israël aan toe. Het huis met daarin zijn moeder is zijn enige houvast in het leven, die hem behoedt voor erger. Voor Sera geldt hetzelfde: om Raf te behoeden voor teleurstellingen in alternatieve inrichtingen, houdt ze hem uiteindelijk liever thuis.

Het klinkt paradoxaal, maar dezelfde liefde voor elkaar maakt hun het leven moeilijk. Als Raf thuis woont, stort hij met zijn onhebbelijke gedrag zijn moeder in het ongeluk, waardoor hij door haar leed depressief raakt en zij samen in een neerwaartse spiraal terechtkomen. Het huis lijkt veilig, maar het rot van binnen uit.

De grote verstoorder van deze moeder-zoonrelatie is natuurlijk Raf. Zijn aangeboren aanleg voor schizofrenie ligt hieraan ten grondslag. Uit de volgende passage komt het duidelijkst naar voren hoe erg hun relatie er, door Rafs ziekte, aan toe is: “Ik wilde weg zijn, geen verantwoording meer dragen, geen schuldgevoelens meer hebben. Ik wilde er niet meer zijn. Een onbedwingbare vermoeidheid overviel me en ik wilde alleen nog maar slapen. (…) Hoe kon ik een beetje voor mezelf leven? Deze gedachten bleven in mij ronddraaien.” (bladzijde 132 en 133)

Niemand zou zo’n relatie op prijs stellen, ook ik niet. Wie woont er nou graag samen met een schizofreen? Wie ís graag schizofreen? Zowel Sera als Raf hebben tot het uiterste hun best gedaan het leven voor elkaar draaglijk te maken.

Raf schipperde tussen zijn werkelijkheid en die van zijn moeder, gaf zowel gehoor aan de opdrachten van zijn verschijningen als aan die van zijn moeder, probeerde in een heldere bui de schade te herstellen die hij in een benevelde toestand aangericht had en liet zich steeds opnieuw opnemen om zich te genezen en zijn moeder van zijn loodzware last te ontdoen.

Op haar beurt verzorgde Sera haar zoon zo goed als mogelijk, stelde hem gerust in angstige perioden, stimuleerde en activeerde hem en ruimde zijn kamer op in apathische en bedlegerige perioden en zocht overal naar een geschikte hulpvaardige permanente inrichting.

Misschien had ik meer tijd voor mezelf opgeëist: ondanks dat Sera werk had om zich op iets anders dan haar zoon te richten, ligt Sera’s netwerk van kennissen en vrienden compleet uit elkaar door schaamte en het gevoel anderen niet met haar probleem te willen belasten. Maar aan de zijlijn is het altijd makkelijk praten.

Leerervaring

Allereerst heeft dit boek mijn visie op het zorgstelsel veranderd. In mijn ogen zorgde het stelsel voor de behoeftigen, maar uit dit boek blijkt wel dat het “vangnet” vol mazen zit.

Het begint met Rafs “behulpzame” psychiater: “Na twee maanden belde ik zijn psychiater op en vertelde hem over de ontwikkeling van de laatste weken. ‘Kunt u Raf niet eens komen bezoeken om te zien in welke toestand hij verkeert nu hij al een tijdlang niet bij u is geweest? Misschien kunt u hem helpen?’ ‘Nee, mevrouw Anstadt,’ antwoordde hij, ‘Raf moet zelf bij mij komen.’ ‘Maar u weet toch dat hij niet komt. Hij weet amper dat u bestaat. U wacht nu al maanden op hem. Kunt u voor de uren die u voor hem reserveert niet één keer hierheen komen?’ Ik kreeg een langdurig ‘Mmmm…’ als antwoord. Daarna zei hij: ‘Het spijt me. Dat gaat niet.’ Daarmee was ons gesprek afgelopen.” (bladzijde 17 en 18)

Als Raf wordt opgenomen in een kliniek proberen de hulpverleners daar alle familiebanden te breken, zonder enige inzichten te verschaffen in hun behandelmethoden: “Raf zou achttien jaar worden en wilde zijn verjaardag thuis vieren. Hij had daarvoor toestemming aan zijn psychiater gevraagd, maar niet gekregen. Een week vóór zijn verjaardag werd ik door een verpleegster opgebeld. Ik hoorde een zakelijk klinkende stem: ‘Wilt u Raf deze week niet komen bezoeken. Hij voelt zich niet prettig en kan niemand ontvangen.’ Dit plotselinge bericht schokte me. ‘Maar wat is er dan met hem?’ vroeg ik. ‘Dat kunt u aan zijn psychiater vragen maar die is op het ogenblik niet aanwezig. Belt u morgen maar terug.’ De volgende dag kon ik de psychiater weer niet bereiken. Ik belde nu dagelijks op maar werd steeds afgescheept. (…) Met een tas vol cadeautjes gingen we die zondag Rafs verjaardag vieren. We hadden geen voorstelling van Rafs ziekte en verwachtten hem in bed aan te treffen. Toen we in Paviljoen Drie aankwamen zei de verpleger ernstig: ‘U mag maar een kwartier blijven. Raf kan het niet aan.’ Nog steeds is het onbegrijpelijk voor me dat wij niet werden ingelicht over wat er met Raf aan de hand was. Toen wij zijn kamer binnengingen kon ik nauwelijks een gil onderdrukken. Raf stamelde enige onduidelijke woorden. Zijn nek was scheefgetrokken, zijn lichaam krom, waardoor zijn hoofd scheef stond. Zijn vingers waren opengesperd en hij kon ze amper gebruiken, zoals we later merkten. Hij zag eruit als iemand die in een stuip was verstard. We merkten aan zijn gedrag dat hij zich van zijn toestand bewust was. Zijn ogen stonden dof en triest. (…) Hij kwam bij me zitten, sloeg zijn armen om me heen en vroeg: ‘Mam, wat hebben ze met me gedaan?’ Ik wist toen nog niets van bijverschijnselen bij de overdosering van medicamenten. In die tijd dacht men dat dit tot een goed resultaat zou kunnen leiden. Na ons bezoek vroeg ik me af of ik er wel goed aan gedaan had Raf te laten opnemen. Ik was bang voor deze behandeling.” (bladzijde 35 en 36)

Ook de hulpvaardigheid van de hulpverleners laat nogal eens wat te wensen over. Dat blijkt na een gesprek met een botte psychiater: “De tranen sprongen in m’n ogen door zoveel onbegrip van iemand die wel moest weten hoe moeilijk een patiënt als Raf kon zijn. Ik begreep niet waarom ze me beschuldigde. Vanaf het begin van Rafs ziekte heb ik me afgevraagd waarom hulpverleners me, in plaats van te helpen, zo in de steek lieten.” (bladzijde 47)

Niet alleen de service van de hulpverleners en de ondoorzichtigheid van hun behandelmethoden zijn van twijfelachtige kwaliteit, de behandelmethoden zelf laten zeer veel te wensen over: “Tegen het week-end belde de leiding me op en vertelde me dat Raf voorlopig geen bezoek meer wilde hebben. Ik berustte daarin twee maanden en hoopte weer op een geleidelijk herstel. Maar toen de verpleging me ook daarna geen enkele inlichting kon geven werd ik steeds ongeruster. (…) Gedreven door angst ging ik tenslotte, zonder Rafs toestemming, naar Buiten Oord. Ik had hem inmiddels drie maanden niet gezien. Met moeite werd ik tot hem toegelaten. Toen ik zijn deur opende ontnam de vieze lucht mij de adem. Spinnewebben hingen dwars door zijn kamer. De vloer lag bezaaid met schillen, as, peuken en gedeeltelijk afgegeten boterhammen. Dikke vliegen gonsden rond en hadden zich op verschillende plaatsen in groepen genesteld. Rafs lakens waren bijna zwart van het vuil en het stof lag in dikke lagen over alles heen. Ik begreep dat er in al die tijd niemand van de verpleging op zijn kamer was geweest. Ik zag dat Raf er ernstig aan toe was. Hij keek wazig-glimlachend naar me, alsof hij zich thuis voelde in deze omgeving.” (bladzijde 63)

Achteraf blijkt dat in de huizen van Laing de afhankelijke patiënten voor hun spullen en verzorging geheel zelf verantwoordelijk waren. Zelfs deze wantoestanden, die de patiënt op lange termijn tot verkindsing dreven, werden beschouwd als medisch correct.

Ook mijn visie op mezelf en de andere “kansrijken en succesvollen” in de maatschappij is veranderd. Hoe simpel is het te schelden met ziektes en met patiënten ervan, hoe makkelijk is het de slonzige moeder de schuld te geven van haar criminele schizofrene zoon, hoe eenvoudig is het te spuwen op de mensen in de goot. Deze arrogante visie is goed weer te geven door middel van de volgende passage: “Ik stond verscholen in een portiek toen Raf plotseling pijlsnel uit zijn huis naar de overkant holde. Hij zag spierwit, twijfelde, als een dier in nood, welke kant hij uit zou gaan en holde toen hard de straat uit, die zich inmiddels met mensen had gevuld. Ik stond met hen toe te kijken. Ik hoorde zeggen: ‘’t Is een gek.’ ‘’t Is een verslaafde.’ ‘Kijk ‘m es hollen!’ De broeders kwamen achter Raf aan. Ze lieten hem struikelen. Er was geen andere mogelijkheid. Ze moesten hem pakken en Raf was sterk. Ik kreeg bijna geen adem meer en stamelde wat voor me uit, maar er kwam weinig geluid uit m’n keel. De mensen keken ook naar mij en stootten elkaar aan, alsof ze wilden zeggen: ‘Daar heb je er nog een.’ Raf was inmiddels opgekrabbeld. Zijn hand werd omgedraaid en hij moest gebogen, als een gevangene, mee. Ik keek alleen naar z’n gezicht, waarvan ik elke trek kende, en voelde m’n keel samenknijpen. Ik holde weg uit de menigte naar een hoek van een portiek. Toen begon ik te brullen, met m’n gezicht verstopt in m’n mantel.” (bladzijde 142 en 143)

Mening

Het verhaal is op geweldige wijze geschreven in dagboekvorm. Eerst was ik over deze vorm, met simpele zinnen en veel prospectieve elementen – duidelijk om de onwetende lezer te informeren – niet zo te spreken. Ik vond het nogal gekunsteld, maar later ontdekte ik dat met de simpele zinnen erg veel werd gezegd – vooral erg veel niet werd gezegd -, dat de prospectieve elementen toch best logisch waren ingevoegd in het kader van een volledige weergave van gedachtegangen, zoals het hoort in een dagboek. Zelfs Sera’s schaamte komt tot uitdrukking in het laatste fragment, doordat ze ten eerste haar verhaal minder persoonlijk laat lijken door het radicale ‘mijn’ te vervangen door ‘m’n’ of het verhaal aldus te relativeren, het luchtiger te laten lijken, en doordat ze ten tweede een duidelijk afwijkend woord als ‘brullen’ gebruikt terwijl ze in andere situaties moeiteloos schrijft over ‘huilen’.

Op het eerste gezicht leek het boek alleen te gaan over de geleidelijke, gezamenlijke en deprimerende aftakeling van een moeder en zoon, maar later bleken de verschillende inrichtingen en de verschillende bijfiguren allemaal iets toe te voegen aan Rafs en Sera’s ontwikkeling. Dit besef nam het halverwege het verhaal optredende gevoel van depressiviteit weg.

Het boek is soms ontroerend en triest – de nachtmerrie voor elke moeder. Dat blijkt wel uit onderstaande passage, die zich overigens moeiteloos zou lenen voor een film: “Aan weerskanten van de gang waren banken geplaatst waarop mannen zaten. Sommige huilden, andere lachten of schudden met hun lichaam alsof ze zichzelf in slaap wilden wiegen. Er kwam ook een geschminkte jongen met driftige, kleine pasjes voorbij. Hij droeg vrouwenkleren en had een rode pruik op. Zijn adamsappel was opvallend groot. ‘Wat moet Raf hier? Hij hoort hier niet,’ dacht ik. Aan het eind van deze tweede gang zagen we kamers, waarvan de kleine ramen, ver boven ooghoogte, met tralies waren afgesloten. In één van die kamertjes zat Raf. Hij ontving ons woedend, duwde ons naar buiten en liep mee. ‘Je hebt je eigen zoon in een gekkenhuis laten opsluiten,’ zei hij verbitterd. ‘Ik blijf hier niet. Ik wil dat je me weer meeneemt.’ De eerste indruk die ik van de inrichting gekregen had gaf me het gevoel dat hij gelijk had. ‘Het wordt maar een korte opname,’ zei Hans met een door zenuwen opgekropte stem. ‘Je bent zo weer thuis.’ Sabina slikte haar tranen in. ‘Neem me mee. Godverdomme, neem me mee, neem me mee,’ gilde Raf. ‘Ik wil hier niet blijven.’ Zijn stem sloeg over. Ik had hem zelden echt horen schreeuwen. Hij bonkte met zijn vuisten tegen het onbreekbare glas van een raam in een deur en begon met alles wat hij te pakken kon krijgen om zich heen te gooien, stoelen, asbakken en vazen, met de machteloze woede van de verliezer. Zijn schreeuwen ging over in gillen, zonder ophouden. Wij stonden daar, niet in staat iets te doen. Er verschenen stevige mannen in witte jassen. Zij hadden een opgevouwen lange lap van zware, witte stof bij zich waarmee ze op Raf afkwamen. Ook de hoofdverpleegster was bij hen. Raf probeerde zich uit alle macht te verdedigen. ‘Ga weg! Ga weg!’ schreeuwde hij en sloeg om zich heen. En daarna: ‘Mama, mama!’ Tenslotte horden we hem alleen nog maar gillen. Ik holde in paniek weg, deed mijn ogen dicht, stopte mijn vingers in mijn oren en drukte me in een hoek van de ruimte tegen de muur, alsof ik me erdoorheen wilde werken. Ik klappertandde en schudde met mijn hoofd om maar niets te hoeven voelen.” (bladzijde 30 en 31)

Op een punt was het boek zelfs humoristisch. Lees het maar eens hardop aan jezelf voor: “’Toen de kinderen klein waren heb ik hun een geheim taaltje geleerd,’ vertelde ik. ‘Elke lettergreep werd verlengd met loefoe, lafa, lofo, lefe of lifie. Dus papa werd palafapalafa -, moeder werd moeloefoedelefer en het woord ‘hiaten’ werd hilifialafatelefen.” (bladzijde 120)