Selecteer een pagina

1 Marcus en Lucius gaan weg van huis en gaan naar de leraar toe.
2 De jongens gaan een nieuwe straat in.
3 De nieuwe straat is breed en mooi.
4 De tweeling wandelt door de brede en mooie straten.
5 Plotseling zien de jongens een steegje en gaan het binnen.
6 In het steegje zijn veel werkplaatsen waar werklieden werken.
7 Kijk, op de muren zijn schilderingen.
8 Marcus en Lucius kijken naar een schildering.
9 Op de schildering staat een mooie en grote tafel.
10 In de winkel werkt een werkman.
11 De werkman maakt een tafel.
12 In een andere winkel ziet de tweeling een andere werkman.
13 De werkman maakt een zwaard.
14 Hij is blij, omdat veel zwaarden al klaar zijn.
15 Nu horen de jongens de koopman.
16 ‘Toga’s, zeer goede toga’s’, roept de koopman.
17 De jongens begroeten de koopman.
18 De koopman begroet de jongens.
19 Oude mannen en jongens, vrouwen en meisjes zijn in de steegjes.
20 Veel slaven rennen door de steegjes.
21 Veel slavinnen kopen eten in de winkels.
22 Werkmannen werken, koopmannen staan in winkels en roepen.
23 Marcus en Lucius kijken graag in de steegjes rond, en haasten zich niet.
24 Plotseling komen Moeder en Claudia het steegje binnen.
25 Moeder ziet haar zonen, en is niet tevreden.
26 Nu rennen de jongens, omdat zij bang zijn voor hun boze moeder.
27 Ze haasten zich uit het steegje.