Selecteer een pagina

Samenvatting hoofstuk 4 Wetenschapsfilosofie door Frea de Jong

De historisering van het wetenschapsbeeld: Quine, Kuhn en Foucault

Duhem-Quine-stelling  tegen het idee van de logisch empiristen en Popper dat empirische hypotheses los van elkaar getoetst kunnen worden aan de werkelijkheid, zowel dmv confirmatie als falsificatie.
Duhem  overeenkomst met Popper: uit een waargenomen fenomeen kan niet zomaar een conclusie getrokken worden, het moet in het licht staan van een van tevoren bedachte theorie.
Verschil met Popper: Popper gelooft dat deze theorieën los van elkaar getoetst kunnen worden door middel van falsificatie. Duhem wijst dit van de hand. Hij zegt dat je een theorie niet zomaar kunt weerleggen en als “fout” kunt markeren. Duhem stelt dat er zowel iets mis kan zijn met de theorie als met andere veronderstellingen (bijv. de apparatuur). Je weet nooit waar de fout zit, je kunt hooguit afspreken waar de fout gelokaliseerd is. Een “cruciaal experiment” is volgens Duhem dus onmogelijk.
Quine  Boek: “Two Dogmas of Empiricism”. Hierin weerlegt Quine twee dogma’s  hij vindt dat er geen duidelijk onderscheid te maken is tussen analytische en synthetische betekenis (resp. waar op grond van betekenis en waar op basis van feiten). Hij stelt dat de waarheid van uitspraken afhangt van zowel feiten als van taal. Het tweede dogma dat hij aanvalt is het reductionisme (het geloof dat een theorie restloos te herleiden valt tot andersoortige uitspraken, dus bijv. analytische of synthetische uitspraken). Quine zegt dat een wetenschappelijke theorie geen verzameling losse uitspraken is, maar een weefsel van samenhangende uitspraken  betekenisholisme.
Kuhn  Wetenschap bestaat volgens Kuhn niet alleen uit lineaire ontwikkeling (presentisme), maar kent ook breuken. Normale wetenschap  periodes van lineaire ontwikkeling. Revoluties  breuken. De normale wetenschap wordt beheerst door een paradigma, een geheel van normen en waarden die het wereldbeeld bepalen. Theorieën die tijdens een heersend paradigma niet kloppen of niet waarschijnlijk lijken, worden anomalieën genoemd. Een opeenhoping van anomalieën kan uiteindelijk leiden tot een revolutie en dus tot een paradigmawisseling. Kuhn stelt een paradigmawisseling voor als een “Gestalt switch”, waarin men in dezelfde gegevens of ideeën plotseling iets geheel anders kan zien. Ideeën uit verschillende paradigma’s zijn incommensurabel, ze lijken niet te kloppen.
Verschil met Popper  Popper gelooft ten eerste in lineaire ontwikkeling van de wetenschap. Bovendien vindt hij dat als een theorie weerlegd is (gefalsifieerd), dat het dan opzij gelegd moet worden, omdat de theorie onhoudbaar is gebleken. Kuhns kritiek hierop: volgens Popper zouden zelfs de grootste wetenschappers (bv. Aristoteles) pseudo-wetenschappers worden! Volgens Kuhn houden wetenschappers zich niet bezig met de confirmatie of falsificatie van theorieën, maar worden theorieën uitgebouwd  er zijn dus geen “cruciale tests” (vgl. Duhem-Quine).
Lakatos  gaat tegen Kuhn in, zegt dat hij een elitist is. Lakatos wil lineaire vooruitgang en empirische inhoud van de logisch empiristen behouden, maar vindt wel dat de hele theorie getoetst moet worden. Overeenkomst met Quine: een geheel van theorieën bestaat uit een kern, die we zeer waarschijnlijk achten, en een mantel, die we bereid zijn op de geven. De mantel kan dus veranderen en als dit progressief gebeurt, gaat de empirische inhoud vooruit (?).
Chomsky  taalwetenschapper: Universal/Generatieve Grammatica  de taal is al van tevoren aanwezig in de menselijke geest, dus al voor de geboorte.
Foucault  Er zijn volgens Foucault verschillende épistémès, dus verschillende wereldbeelden. Verschil met Kuhn’s paradigma   Een paradigmaverandering vindt plaats op één vakgebied, een epistemische breuk op een veel breder vlak.  De tijdschaal in Foucault’s theorie is veel ruimer dan die in Kuhn’s theorie.
Volgens Foucault waren er tot de jaren ‘60/’70 drie épistémès:

Tot 1650
1650-1800
1800- ca. heden
Renaissance
Klassiek
Modern
Overeenkomsten, bv.4 elementen
Representatie
Tijd speelt een rol, historiciteit wordt belangrijk
Mens=analoog a/d kosmos
Hiërarchie, ordening der dingen
Mens heeft een andere status dan de natuur, bijzonder
Natuur = systeem van tekens
Taal = instrument
Kennis = subject-object

Samenvatting Hoofdstuk 5 boek Wetenschapsfilosofie: “Het ontstaan van de Geesteswetenschappen”pag. 113 – 131, door Sjoerd.

5.1 Filosofische achtergronden: Kant en Hegel
Volgens Foucault heeft zich rond 1800 een geesteswetenschappelijke breuk voorgedaan. In dit hoofdstuk worden een aantal interne (conceptuele) en externe (maatschappelijke) factoren besproken, die het ontstaan van de geesteswetenschappen en in mindere mate van de sociale wetenschappen hebben mogelijk gemaakt.

5.1a Kant: subject en object
Kant heeft een scheiding tussen mens en wereld of natuur geformuleerd, met het maken van het epistemologische onderscheid tussen het kennend subject en het kenbaar of gekend object. Deze theorie is zeer belangrijk geweest, en vormt de hoeksteen van de filosofie van de Moderne Tijd.Kant’s kentheorie gaat over het transcedentale subject, dat met zijn categorieën en aanschouwingsvormen kennis van de empirische buitenwereld pas mogelijk maakt. Ze presenteert de mens nl. tegelijkertijd als empirisch object, en als transcedentaal subject (mens is mogelijkheidsvoorwaarde voor empirische kennis) van empirische kennis. Dit onderscheid is belangrijk omdat de mens nu niet meer alléén als subject, of alléén als object van kennis te bestuderen valt.
Kant behandelt de mens vooral als rationeel denkend, oordelend en handelend subject, en is volgens hem universeel en tijdloos. Deze opvattingen weerspiegelen duidelijk het universalisme* en het vertrouwen in de rede, dat kenmerkend is voor de Verlichting. In het begin van de 19e eeuw werden door de denkers van de romantiek en de contraverlichting* (die het gevoel, de traditie en het bijzondere opwaarderen ten opzichte van de universele rede) bezwaren aangevoerd tegen Kant’s ideeën.

5.1b Hegel: Geist en historiciteit
Een tweede filosofische hoeksteen is de introductie van het begrip Geist, dat vooral als een soort herziening of aanvulling op Kant’s denken kan worden gezien. Het begrip Geist, dat vooral door Hegel is behandeld, weerspiegeld de wijdverbreide kritiek dat Kant zijn analyses strikt beperkte tot het menselijk kenvermogen, met uitsluiting van alle andere aspecten van de menselijke wil, ervaring, samenleving en cultuur. De Geist waarover Hegel schrijft is dus niet alleen en niet in de eerste plaats het individuele bewustzijn, maar is veel breder, en omvat vooral de verzelfstandigde producten daarvan, zoals de filosofie, de kunst en de religie. Geist is dus het geheel van verzelfstandigde producten van de menselijke geest. Hegel is door velen niet serieus genomen en belachelijk gemaakt, maar heeft met zijn ideeën enorme invloed gehad. Een groot deel van de Franse en Duitse filosofie van de 20e eeuw is ondenkbaar zonder Hegel, en ook zijn zijn ideeën een inspiratiebron voor Karl Marx geweest. Voor Hegel (en dus ook voor Marx) ontwikkelt de Geist zich in de loop van de geschiedenis, en wel in de richting van de vrijheid. Hegel beschouwde in zijn latere levensjaren het Pruisen van zijn tijd als de ideale staat waarin de geschiedenis haar einde of voltooiing had gevonden.
Hiermee komen we op de derde conceptuele hoeksteen van de geesteswetenschappen: het overheersende idee van de radicale of essentiële historiciteit*, ofwel historische bepaaldheid en veranderlijkheid, van al wat menselijk is. In de Moderne Tijd vormt tijd een centraal principe voor de orde der dingen. Alles wat menselijk is (talen, culturen, etc.) ontwikkelen zich in de loop van de tijd. De historische ontwikkeling gaat vanaf ongeveer 1800 een veel centralere rol in het menselijk denken spelen. Hegel werkt het fundamentele idee van een historiciteit die de mens, en dus ook alle menselijke cultuurproducten zoals taal, kunst en religie kenmerkt verder uit. (zie citaat p.117).
Voor Hegel heeft elke fase in de geschiedenis een eigen tijdgeest*, oftewel een eigen vorm van bewustzijn, bovendien is dat bewustzijn volks- of cultuurafhankelijk.

5.2 Cultuurhistorische achtergronden
Deze drie ingrediënten, of hoekstenen (Kant’s kentheorie, Hegel’s Geist en historiciteit) zijn onderdeel van een verklaring van het ontstaan van de geesteswetenschappen, maar cultuurhistorisch gezien hebben nog meer, externe/maatschappelijke factoren een rol gespeeld. In algemene cultuurhistorische zin hangt het ontstaan van de geesteswetenschappen samen met de contraverlichting*. De contraverlichting kan worden gezien als een verzamelnaam voor allerlei intellectuele, literaire en sociale bewegingen die zich op een of andere manier afzetten tegen de verlichtingsidealen, en is wat neutraler en breder dan noties als romantiek en nationalisme, wat later meer politiek beladen zou worden.
De Franse Revolutie van 1789 markeerde het hoogtepunt, en tevens het einde van de verlichting, doordat het conservatieve critici het argument dat de verlichtingsidealen van rede, vrijheid en gelijkheid slechts tot sociale chaos en bloedvergieten leidden. Ook elders in Frankrijk en Engeland ontstonden twijfels over de moderniteit en vooruitgang, mede doordat de industriële revolutie veel werkloosheid in de groeiende steden veroorzaakte. Op deze problemen kwam niet alleen commentaar van conservatieve schrijvers, maar ook denkers die vasthouden aan de verlichtingsidealen buigen zich over dit thema. Dit waren o.a. Auguste Comte, grondlegger van de positivistische* sociale wetenschappen, en Karl Marx. Beiden houden hun geloof in het vermogen van de rede om de nieuwe omstandigheden te begrijpen, en ook dat de terugkeer naar de traditionele ordening van de maatschappij mogelijk was.
Tegenover dit universalistische idee van de rede van de verlichting plaatst de contraverlichting* het begrip cultuur* als tijd- en plaatsgebonden. Dit cultuurbegrip heeft een politieke lading en wordt dan ook in de loop van de 19e eeuw vaak verbonden met het opkomende nationalisme*, de gedachte dat een volk als culturele eenheid zich een ook in een staat, dus als politieke eenheid moet verwerkelijken. De denkers van de contraverlichting stellen meer belang in gevoelens en verbeelding, dan in de rede en het universalisme van de verlichtingsdenkers.
Het nationalisme is typisch een product geweest van de stadse (vaak hoger opgeleide) middenklassen. Volken en naties werden nu beschouwd als een soort natuurlijke categorieën waarin de mensheid uiteenviel; een natie werd gedefinieerd als een volk met een gemeenschappelijke cultuur. Tot ver in de 19e eeuw hadden nationalistische ideeën echter weinig aanhang onder het grote deel van de bevolking dat nog altijd op het land leefde, dat aan die “nationale” cultuur niet of nauwelijks deel had, en waarvoor religie, niet taal, het voornaamste identificatiemiddel was. De nationalistische beweging heeft geleid tot een gedeeltelijke transformatie van het cultuur begrip: cultuur werd niet meer beschouwd als een ideaal van ontwikkeling voor een kleine elite, maar integendeel als iets wat in de oude ongeletterde tradities van de plattelandsbevolking was overgeleverd.
De opbloei van de geesteswetenschappen valt niet alleen samen met het ontstaan van allerlei nationale projecten, maar ook met de snelle koloniale expansie van staten als Engeland, Frankrijk en Nederland. Er werd verondersteld dat de verder gevorderde volken (waar de Europeanen zichzelf vanzelfsprekend toe rekenden) het recht, of zelfs de plicht hadden om over ‘primitieve’ of minder ontwikkelde volken te heersen, en ze daarmee op het pad van de vooruitgang te leiden. De geesteswetenschappen die de talen en gebruiken van die exotische en achtergebleven volken bestudeerden, konden dus een gemakkelijke en politieke toepassing vinden in de ondersteuning en wetenschappelijke legitimatie van het kolonialistische project: de zware plicht die de blanke op zich had te nemen. Nationalisme en koloniale overheersing begeleidden de opkomst van klassieke geesteswetenschappelijke vakgebieden als de filologie, de vergelijkende geesteswetenschappen en de oriëntalistiek.( Dit is het stuk over de ontwikkeling van de taalvergelijkende wetenschappen)

5.3 Institutionele veranderingen: Universiteitshervormingen, het Bildungsbegrip

Tot dusver hebben we de conceptuele basis en de cultuurhistorische achtergrond voor het ontstaan van de geesteswetenschappen onderzocht; een derde, en zeker niet de minst belangrijke, dimensie wordt gevormd door de institutionele veranderingen die het hoger onderwijs in deze tijd heeft doorgemaakt, opnieuw vooral in Duitsland.
Aan het begin van de 19e eeuw werd het zijn de hervormingen in het Duitse onderwijs en de wetenschappen vooral het werk geweest van Wilhelm von Humboldt (1767-1835). In de korte tijd dat hij op het Pruisische ministerie van onderwijs en wetenschap werkt, tussen 1808 en 1810) heeft hij een aantal diepgaande veranderingen in de structuur van het hoger onderwijs doorgevoerd. Andere universiteiten nemen deze wijzigingen over, zodat het idee van een “Humboldtiaanse universiteit” tot ver over de Duitse taalgrenzen wordt verbreid. Vanwege zijn enorme macht en invloed krijgt Humboldt de bijnaam “Bildungsdictator”. Als geesteswetenschapper wijdt hij zich aan volkenkundig en taalkundig onderzoek, en werkt de voor de contraverlichting typerende stelling uit dat het menselijke denken wordt gevormd en gestuurd door de structuur van de specifieke taal die men spreekt.
Humboldt formuleert de twee grondprincipes waarop in 1809 de universiteit van Berlijn wordt opgericht: ten eerste de academische vrijheid ( professoren moeten de vrijheid hebben om onderwijs te geven over onderwerpen die ze zelf van belang vinden, en de universiteiten moeten hun eigen bestuur krijgen, in plaats van onder direct gezag van een ministerie, vorst of staat te staan), en ten tweede de eenheid van onderwijs en onderzoek (Humboldt benadrukt dat universiteitsprofessoren slechts volledige wetenschappers zijn als ze zelf oorspronkelijk werk verrichten en dus ook over hun eigen onderzoek college geven).
Humboldt richt de Berlijnse universiteit in op basis van het begrip Bildung* dat zowel een humanistisch ideaal als een politiek programma tot uitdrukking brengt, en het houdt een algemene ontplooiing van alle menselijk vermogens, en omvat dus niet alleen de verwerving van kennis maar ook die van het vermogen tot morele en esthetische oordelen en tot rechtvaardig handelen. (zie citaat p.125)

5.4 De opkomst van de sociologie en haar rivaliteit met de geesteswetenschappen.
Aan het einde van de 19e eeuw wordt in een aantal landen in Europa, maar ook in de VS de basis gelegd voor een nieuw soort wetenschap: de sociologie*. De belangrijkste voorvechters van het vak zijn Comte, Durkheim en Weber. In het begin is er veel tegenstand tegen het nieuwe vak, mede doordat het overlappingen heeft met de geesteswetenschappen.
De sociologen claimen, vooral in Frankrijk, dat zij over middelen beschikken om de samenleving in kaart te brengen, en op die basis een gefundeerd oordeel kunnen geven over de politieke problemen van hun tijd. Wat hen voor ogen staat, wanneer zij het begrip ‘samenleving’ gebruiken, is een functioneel geordend geheel van sociale feiten, een sociaal systeem met een eigen structuur, dat niet met een specifieke natie of staat samenvalt en waar alleen wetenschappelijke middelen toegang toe verlenen. Deze epistemologische claim leidt tot een politieke conclusie: alleen een sociologisch opgeleide elite kan de juiste uitleg geven van samenlevingsproblemen. Het is deze bewering waartegen de geesteswetenschappers en de literaire publicisten protest hebben.

Let op: lees de conclusie en het resumé (p. 130,131), zij vormen een duidelijk overzicht van het hoofdstuk.
* verwijst naar de uitleg van begrippen achter in het boek.