Selecteer een pagina

Samenvatting Hoofdstuk 7 Wetenschapsfilosofie; Positivisme en Structuralisme

Positivisme: de opvatting dat alleen de empirische wetenschappen geldige kennis
opleveren, respectievelijk als basis voor een succesvolle sociale orde
kunnen dienen.

Structuralisme: benadering die sociale en andere verschijnselen wil verklaren
vanuit objectieve gegevenheden die buiten het object liggen.

7.1 Inleiding

Positivisme en structuralisme verschillen van hermeneutische en verstehende benaderingen; bij positivisme en structuralisme draait het vooral om wetenschappelijke kennis door middel van ervaring (objectivisme), dit in tegenstelling tot hermeneutiek en Verstehen (subjectivistisch). Er wordt uitgegaan van de gedachte dat maatschappij- en geesteswetenschappen op dezelfde manier benaderd dienen te worden als de natuurwetenschappen.
De grondlegger van het positivisme is Auguste Comte. Aan het begin van de negentiende eeuw verkondigde hij dat alleen de empirische wetenschap werkelijke kennis oplevert en dat kennisaanspraken die zich baseren op traditie, metafysica en religieuze openbaring ondergeschikt zijn. Volgens de positivisten zijn andere dan wetenschappelijke representaties onbetrouwbaar. Bij het verklaren van religieuze en andere (niet-wetenschappelijke) voorstellingen wordt gebruik gemaakt van de kantiaanse vraag hoe deze voorstellingen mogelijk zijn, dit houdt geen rechtvaardiging van kennis in, maar is een empirische kwestie waarbij sociale structuren een belangrijke rol spelen.
Het structuralisme wordt omschreven als de opvatting dat sociale en andere verschijnselen verklaard kunnen worden vanuit structuren of gegevenheden die buiten het subject staan en dus ‘objectief’ genoemd kunnen worden. Ferdinand de Saussure heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de structuralistische taalkunde. Volgens De Saussure is taal zo’n structuur, evenals religie, geld en instituties zoals nationale staten.

7.2 Durkheims sociologie

Emile Durkheim is van groot belang geweest voor het ontstaan van sociologie als zelfstandig vakgebied. Hij is in grote mate beïnvloed door het Franse positivisme; hij interesseerde zich voor het werk van Kant en Comte. Durkheim deelt de opvatting van Comte dat de wetenschappelijke methoden ook de basis van de studie van de maatschappij moeten vormen.
Durkheim werkt deze opvatting echter verder uit dan Comte. In zijn werk Les règles de la méthode sociologique stelt Durkheim zijn eigen grondprincipes op. Zijn belangrijkste methodologische regel is dat, sociale feiten volgens hem als dingen moeten worden beschouwd. Dit principe zorgt ervoor dat Durkheim de sociologie kan afbakenen als zelfstandig en autonoom vakgebied, onderscheiden van zowel biologie als psychologie.
Sociale feiten zijn dingen die mensen geloven, oftewel: representaties (geld, taal, religie). Deze sociale feiten onderscheiden zich op twee manieren van psychologische feiten:
1. sociale feiten zijn extern aan het individu
2. sociale feiten hebben op elk individu een dwingende kracht (ze zijn niet te negeren of te veranderen).
Individuen zijn ook onafhankelijk van de sociale realiteit; sociale verschijnselen bestaan buiten elk individu afzonderlijk. Sociologen moeten sociale verschijnselen dan ook als dingen beschouwen.
Bij onderzoek moeten sociologen uitgaan van ervaring en niet vanuit wetenschappelijk gevormde begrippen. Bovendien wordt er gezocht naar een objectieve representatie van sociale verschijnselen. Hierbij maakt Durkheim gebruik van collectieve gebruiken (rechtsregels, volksgezegden, verschijnselen van sociale structuur enz.); deze staan vast, het individu heeft hier niets over te zeggen. Dit worden ook wel collectieve representaties genoemd.

7.2a Kennis- en godsdienstsociologie

Durkheim doet onderzoek naar religie in de geschiedenis, om religie als sociaal feit te kunnen verklaren. Volgens hem houdt religie als sociaal feit geen aanbidding van het hogere in, maar staat het maken van onderscheid tussen heilige en alledaagse gebeurtenissen centraal. Religie is als het ware een principe om te categoriseren; er is niet alleen een strikte indeling van mensen en objecten, ook worden mensen in bepaalde maatschappelijke klassen ingedeeld. De taak van religie is volgens Durkheim dan ook het handhaven van de sociale orde. Om dit te verduidelijken geeft Durkheim de religie van de Aboriginals als voorbeeld.
In zijn kennis- en godsdienstsociologische werk geeft Durkheim een sociologische draai aan de kantiaanse kentheorie. In tegenstelling tot Durkheim vroeg Kant zich af hoe (gerechtvaardigde, wetenschappelijke) kennis mogelijk is. Volgens Durkheim kan niet-wetenschappelijke kennis (bijvoorbeeld religie) uit de sociale structuur en functie verklaard worden, terwijl wetenschappelijke kennis op feiten berust. Pas in de jaren ’60 van de twintigste eeuw proberen sociologen wetenschappelijke en niet-wetenschappelijke kennis op een zelfde manier (in termen van sociale processen) te onderzoeken.

7.3 Saussure en de algemene taalwetenschap

Ferdinand de Saussure probeert van de algemene taalwetenschap een zelfstandig vakgebied te maken. Volgens de Saussure hebben verschillende talen verwantschap; dit is te verklaren door één gemeenschappelijke oorsprong (Proto-Indo-europees). Op zijn eenentwintigste komt de Saussure al met zijn laryngaaltheorie; het bewijs dat er nog drie klanken (afkomstig van het Proto-Indo-europees) ontbreken in de Indo-europese talen, wordt empirisch bewezen bij opgravingen daarvan in het huidige Turkije. Uit onvrede met de begrippen en methoden van de taalkunde van zijn tijd heeft de Saussure tot aan zijn dood nauwelijks nog iets gepubliceerd. Postuum verscheen echter zijn invloedrijkste werk: Cours de linquistique général. Dit werk is verantwoordelijk voor een paradigma van de algemene taalwetenschap. Taal als sociaal feit (langue) is volgens de Saussure anders dan individueel taalgebruik (parole). Om te kijken wat wezenlijk is aan een taal moet je volgens hem dan ook op één moment in de tijd (synchroon) naar taal kijken. Je moet dus afstand nemen van historische veranderingen (diachroon). De langue is een systeem van taaltekens, deze tekens hebben twee kanten: de betekenaar (signifiant) en de betekende (signifié). Deze twee kanten zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden; een teken zonder het ander betekent niets.
De tekens waarover de Saussure spreekt, zijn allereerst tekens van de gesproken taal, schrifttekens kunnen echter ook op deze manier bekeken worden. De taalkunde maakt dan deel uit van een algemenere tekenleer; semiologie of semiotiek.
Belangrijk punt bij het definiëren van langue bij de Saussure is de arbitrariteit van het taalteken; volgens de Saussure bestaat langue, net als de sociale feiten van Durkheim, op grond van gedeelde conventies, terwijl ze toch onafhankelijk is van het individu, die haar niet zomaar kan scheppen of veranderen. Volgens de Saussure is er echter geen vanzelfsprekend of wezenlijk verband tussen een teken en zijn betekenis. Het bestaan van afzonderlijke begrippen en het verwijzen naar specifieke objecten is dus alleen mogelijk bij de gratie van het taalsysteem als geheel (zowel de betekenaar als het betekende zijn volledig arbitrair).
Bij de Saussure is er net als bij Duhem/Quine sprake van betekenisholisme; ook de Saussure is van mening dat het geheel niet te herleiden is in aparte delen. De identiteit van taaltekens ontstaat door het verschil met andere tekens, oftewel: ‘de taal is een vorm en geen substantie’.
Kantiaans element in het werk van de Saussure is het feit dat, dat taal volgens de Saussure ons denken mogelijk maakt. De Saussure ziet taal niet langer als historische verandering, maar als een momentopname dat ons denken vormt. Taalkunde beperkt zich tot het synchronische niveau.

7.4 Structuralisme in de literatuurtheorie

Vanaf de jaren ’50 vormt Saussures taaltheorie een bron van inspiratie voor het structuralisme in de literatuur en andere culturele gebieden. Een groot aantal culturele verschijnselen wordt aan semiotische analyses onderworpen. Dit zijn niet alleen maar teksten, maar ook films, advertenties en aspecten van het dagelijks leven die normaal niet tot de geesteswetenschappen behoren. Er wordt afstand genomen van de verstehende methode, dat wil zeggen dat de auteur van een tekst volledig ondergeschikt is aan de structuur van een tekst. Vooral Barthes (‘dood van de auteur’) en Foucault (‘dood van het subject’) zetten zich af tegen de humanistische traditie van de geesteswetenschappen. Een kunstwerk is te begrijpen zonder een beroep te hoeven doen op het bewustzijn of de bedoelingen van een auteur.
In een semiotische benadering wordt een kunstwerk opgevat als een systeem van tekens. Zo’n analyse probeert ook tekens en symbolen te achterhalen, die niet bewust zo bedoeld zijn.
Dat een structurele analyse ‘betekenissen’ uit een tekst perst die niets meer met de bedoelingen van de auteur te maken hebben, zien de structuralisten niet als een bezwaar.

7.5 Conclusie

Zowel Durkheim als de Saussure hebben een groot deel van hun werk besteed aan het rechtvaardigen van de verzelfstandiging van hun vakgebied (sociologie, respectievelijk de taalkunde). Structuralistische benaderingen hebben tot gevolg, dat menselijk handelen slechts bijzaak zijn van de structuren zelf. Volgens ene Giddens hebben de sociale wetenschappen met een dubbele hermeneutiek te maken, aangezien het gaat over maatschappelijke representaties, die zelf gebaseerd zijn op maatschappelijke representaties.
De vraag, die Leezenberg zich stelt in deze conclusie, is waarom de taalkunde met deze structuralistische benaderingen zo’n grote sprong voorwaarts heeft gemaakt, terwijl de andere vakgebieden hierbij achter zijn gebleven.
Het onderscheid tussen methoden die structuren centraal stellen en opvattingen die het menselijk bewustzijn verklaren, is in de sociale wetenschappen bekend geworden als het structure-agency-debat (= discussie over de vraag of objectieve structuren dan wel mentale toestanden fundamenteler zijn in sociaal-wetenschappelijke verklaringen). Evenals de vraag of taal primair een cognitief of een sociaal verschijnsel is, is ook dit debat een methodologische kwestie. Hier is echter nooit antwoord op te geven, want beide manieren van handelen zijn in staat om tot verklaringen te komen.

7.6 Resumé

Durkheim (1858-1917) probeert de sociologie als rigoureuze empirische wetenschap te vestigen door haar te baseren op sociale feiten. Sociale feiten zijn niet te herleiden tot bijvoorbeeld psychologische of biologische, aldus Durkheim. Sociologische verklaringen kunnen volgens hem in strijd zijn met wat de leden van een maatschappij zelf over de onderzochte sociale feiten denken.
Saussure (1857-1913) legt de fundamenten van de algemene taalwetenschap door strikt de taalsystematiek (langue) van het taalgebruik (parole), en de synchronie van de diachronie, te onderscheiden. Taalkunde als autonome wetenschap bestudeert de langue synchronisch.
Volgens Saussure bestaat het (taal)teken uit een betekenaar (signifiant) en een betekende (signifié); de relatie hiertussen is arbitrair en conventioneel. Deze tekentheorie (semiotiek of semiologie heeft als inspiratiebron voor de literatuurtheorie, de antropologie en andere vakgebieden gediend, omdat ze de mogelijkheid biedt om elke cultuursfeer op te vatten als een systeem van tekens, dat wetten volgt die aan bewustzijn en bedoelingen van het individu ontstijgen.